                ACHTER DE WOLKEN SCHIJNT DE ZON

            twaalf essays over Suriname's economie




                    dr. Marein van Schaaijk


                          april 1991


                uitgave Stuseco april/mei 1991
                ACHTER DE WOLKEN SCHIJNT DE ZON

            twaalf essays over Suriname's economie,

    grotendeels eerder verschenen in de Weekkrant Suriname


                    dr. Marein van Schaaijk


 HERSTEL ECONOMIE VIA INTERN EN EXTERN GESTEUND HERSTELPAKKET


       Suriname  kent  een proces  van  sterke sociaal-
       economische   achteruitgang.   Bij   ongewijzigd
       beleid  zal  het land  gestaag  verder achteruit
       gaan. Er zijn door velen talloze voorstellen ter
       verbetering  aangedragen.  Met  behulp  van  een
       macro-econometrisch  model,  dat  speciaal  voor
       Suriname   is  ontworpen  en   uitgetest  op  de
       economische ontwikkeling van de afgelopen dertig
       jaar,    kunnen    deze    voorstellen    worden
       samengesmeed.    De   effecten   van   herstruc-
       tureringspakketten  kunnen ermee in beeld worden
       gebracht.  Het  blijkt mogelijk  het  proces van
       economische  neergang af te  remmen en na enkele
       jaren om te buigen tot groei, zodat in het begin
       van  de volgende  eeuw de welvaart  van de jaren
       zeventig weer in zicht zou kunnen komen.


Uitgave Stuseco, april 1991

Stuseco
C.Jolstraat 50
2584ET Den Haag
                    1.   WINTER IN SURINAME




Aan  het eind van  de winter kan  men zich moeilijk voorstellen
dat  er weer een tijd zal komen dat we zonder jas aan op straat
kunnen lopen. Zo lijkt er nu als maar geen eind te komen aan de
monetaire en andere problemen in Suriname. De huidige problemen
van  Suriname  zullen niet  plotseling als  sneeuw voor  de zon
verdwijnen,  maar toch kan er hoop zijn op verbetering over een
aantal jaren. Dat blijkt althans uit het feit dat Suriname ruim
anderhalve eeuw geleden soortgelijke problemen kende als nu, en
het  land is  daar indertijd toch  bovenop gekomen.  In een oud
boek  (1) vonden  we de  volgende passage  over de  toestand in
Suriname  in  1816,dus  vlak  na  de  periode  van  het Engelse
Tussenbestuur, die twaalf jaar had geduurd:

Teruggave van Suriname aan Nederland
"Gedurende  de  eerste  tientallen jaren  na  de  teruggave van
Suriname  aan  Nederland was  de toestand  der kolonie  in alle
opzichten  slecht te noemen. Het regeeringssysteem was zoodanig
ingericht  dat  wetgevende, uitvoerende  en  rechterlijke macht
nauw  verbonden  waren;  het  bestuur was  in  handen  van vaak
onbekwame   ambtenaren,  corruptie  kwam  veelvuldig  voor,  de
belastingen waren hoog en onrechtvaardig, vele plantages werden
verlaten  en op  andere heerschten  achterlijke toestanden, die
door  gebrek aan kapitaal, incompetentie der administrateurs en
absentesme  der eigenaren zelden  verbeterd werden.     ...het
muntwezen  werd herhaaldelijk gewijzigd, terwijl de wisselkoers
op Holland van 1816 tot 1826 daalde van f 1,25 tot 3,27 Sur. de
Hollandsche gulden."

Surinaamsche florijnen

Bij  dat laatste  is het van  belang op te  merken dat Suriname
reeds  lang  geleden over  eigen geld  beschikte. In  1761 werd
namelijk  in  Suriname  de Surinaamse  florijn,  bijgenaamd het
"kaartengeld"  gentroduceerd.  De bankbiljetten  waren gemaakt
van  speelkaarten, vandaar de naam.  Vanwege de snel toenemende
geldbehoefte, in de eerste plaats door de kosten van expedities
tegen  opstandige bosnegers, bezweek het koloniaal bestuur voor
de  verleiding  tot te  grote uitgifte  van dit  gemakkelijk te
vervaardigen staatsgeld. Het gevolg was dat de betaalkracht van
het  kaartgeld diep  daalde en de  Surinaamse florijn verdween.
Aanvankelijk werden er door een Belgische bank (Belgi was toen
een   deel  van  het  Koninkrijk  der  Nederlanden),  maar  die
verdwenen  weer snel naar  de Nederlanden of  in een oude kous.
Welke  oplossing vonden de autoriteiten toen voor het monetaire
probleem?

In 1761 werd in Suriname een nieuw betaalmiddel geintroduceerd,
het  kaartengeld. Het muntpapier  was gemaakt van speelkaarten,
vandaar  de naam.  Vanwege de snel  toenemende geldbehoefte van
het  koloniaal bestuur, in  de eerste plats  door het groeiende
gevaar  van de zijde der bosnegers, tegen wie expedities werden
uitgerust, bezweek het voor de verleiding tot te grote uitgifte
van  dit  gemakkelijk te  vervaardigen papieren  staatsgeld. De
betaalkracht van het kaartgeld daalde daardoor diep. Het gevolg
was, dat men in 1827 overstapte op de Nederlandse gulden, en de
Surinaamse  florijn verdween. (C.de Jong: "Geschiedenis van het
geldwezen  in  Suriname",  Suralco  Magazine,  Paramaribo, 1982
nr.4).


  Bankbiljetten Nederlandsche Bank?

Op  3 juli 1826 stuurde de  Nederlandse Minister voor Marine en
Kolonin  een brief naar de directie der Nederlandsche bank met
"daarbij  hoogstdeszelfs  wensch  te  kennen  gegeven,  dat  de
Nederlandsche Bank te Amsterdam daartoe geliefde mede te werken
door  een agentschap of bijbank  .... te vestigen" in Suriname.
De  bankdirectie antwoordde de Minister echter reeds op 14 juli
1826   het  "eenparig  resultaat   onzer  overdenkingen":  "het
octroy,...sluit  alle denkbeeld van bevoegtheid tot overzeesche
geldoperatin  zodanig  uit. ....Maar  al ware  het hieromtrent
anders  gelegen, ...dan nog  moeten wij oprechtelijk verklaren,
dat  onze instelling, zo zij thans  bestaat, ons de kracht niet
aanbied  om daarvan eenig gedeelte tot eenig gebruik buiten het
rijk  veiliglijk te  kunnen afzonderen"  Daarna volgen passages
waaruit  blijkt dat  de bankdirectie, zelfs  indien de regering
bereid  is om  het vereiste  kapitaal voor  te schieten, vreest
voor  vermindering  van het  vertrouwen van  het publiek  in de
bank:"ydere  tusschenkomst van onzentwege ...de allernadeligste
impressie  zoude uitwerken". Vertaald in gewoon Nederlands komt
het  erop neer  dat de Nederlandsche  Bank geen  enkele zin had
zijn  vingers te branden  aan bemoeienis met  het geldwezen van
Suriname.
  Aangezien   Nederlandse  guldens  net   als  andere  goederen
simpelweg  kunnen worden gekocht, is er , zoals de geschiedenis
later  ook leerde,  geen medewerking van  de Nederlandsche Bank
nodig  om  over  te  stappen  op  de  Nederlandse  gulden.  Bij
Koninklijk  Besluit  van  15  augustus  werd  het Nederlandsche
muntstelsel  in  de kolonie  ingevoerd.  Er werden  in Suriname
Nederlandse  muntstukken ingevoerd,  maar met  de bankbiljetten
ging het niet zo gemakkelijk.
  De   Nederlandse  regering  stuurde  J.  van  den  Bosch  als
commissaris  generaal naar de West. Deze arriveerde op 28 april
1828  in Paramaribo. Hij schreef in  1828 het: "Ontwerp tot het
oprigten   eener   bank  voor   de   Nederlansch  West-Indische
Bezittingen".  De Nederlandse  regering nam  dat voorstel over,
richtte op 30 december 1828 de "Particuliere West-Indische Bank
te  Paramaribo" op, en ging op zoek naar een financier voor het
benodigde startkapitaal van drie miljoen gulden.

  Geheime brief Nederlandse Minister over Surinaams geldwezen.

  Op  1  september  1829 stuurde  de  Nederlandse  Minister van
Financin  een geheime brief  naar de Nederlandse  Bank met het
verzoek  om  drie  miljoen  gulden  krediet  voor  de  bank  in
Paramaribo  en  het verzoek  of de  Nederlandsche Bank  zich in
Nederland  met een  agentschap voor de  Paramaribosche Bank zou
willen  belasten.  Reeds  op  9  september  1829  antwoordde de
directie  der  Nederlansche  Bank  dat  ze  daar  niet  aan kon
beginnen,  omdat het  octrooi het  niet veroorlooft,  omdat het
niet  overeenkomt  met het  belang van  de  bank, en  omdat het
schadelijk  zou zijn voor het vertrouwen  van het publiek in de
Nederlandsche  Bank  "alzo  zou  deze  ongewone  handelwijze de
opspraak van het publiek niet ontgaan kunnen". Per kerende post
vroeg  de  Minister  om  een  persoonlijke  bespreking  met  de
directie  over  deze  zaak.  Spoedig  daarna  reisde  hij  naar
Amsterdam  (een hele  tocht, want in  die tijd  bestonden er in
Nederland  nog geen spoorwegen) en sprak op 12 october 1829 met
de   directie  der  Nederlandsche  Bank.  De  Minister  pleitte
persoonlijk  voor deelname  van de  Nederlandsche Bank  en wees
erop  hoeveel  prijs  ook  de  Koning  daarop  stelde,  maar de
directie  van de Nederlandsche Bank bleef onverbiddelijk: naast
de  eerder genoemde argumenten  bracht ze naar  voren niet over
voldoende  locale  kennis te  beschikken  en dat  bovendien "de
operatin  van  eene bank  zich  moeielijk op  zodanige afstand
lieten  bepalen". De  geheime notulen van  dit gesprek eindigen
met  "De besogne hiermee  geindigd zijnde, nam  de minister op
het minzaamst afscheid van president en directeuren". Kortom de
minister  was tot in  het stof gekropen,  maar hij kreeg niets,
behalve enkele beleefdheden.
  De West-Indische Bank is er wel gekomen, maar gaf teveel geld
uit in combinatie met afvloeing van geld door kapitaaluitvoer.
Deze  bank  kon  het daarom  niet  bolwerken. In  1865  kwam er
verbetering  door de  oprichting van de  Surinaamsche Bank, die
nimmer   is  overgegaan  tot  onverantwoorde  kredietverlening.
Daardoor  kon ze  steeds 1:1  verhouding van  haar Surinaamsche
bankbiljetten   ten   opzichte  van   de   Nederlandse  guldens
garanderen.  Tot in 1940 heeft er een situatie bestaan, waarbij
men  in Suriname  de Nederlandse  gulden gebruikte  met voor de
bankbiljetten een Surinaamse variant van de Nederlandse gulden.

  Kapitaaluitvoer

  Verder  geven een aantal  opmerkingen in het  rapport van Van
den  Bosch  uit 1828  stof tot  nadenken.  Hij zag  niet zozeer
overmatige geldcreatie, maar kapitaaluitvoer als oorzaak van de
waardevermindering   van  de  toenmalige  Surinaamse  munt,  de
Surinaamse florijn. Hoe zit dat nu?
  In  de betalingsbalans van Suriname  treft men een bijzondere
post aan onder het particulier kapitaalverkeer op lange termijn
"mutatie  rekening courant saldi" Deze post die vroeger slechts
enkele  tientallen  miljoenen  groot  was  is  sinds  1986 fors
gestegen tot 298 miljoen (tegen officile koers, dus ter waarde
van  167  miljoen  US$  !)  in  1989.  Het  blijkt  te  gaan om
transacties  van de  bauxietmaatschappijen. Die  zijn kennelijk
bezig in snel tempo hun kapitaal uit Suriname weg te halen. Het
gaat  daarbij  om  zelfs  grotere  bedragen  dan  de jaarlijkse
ontwikkelingsmiddelen toen die op hun top stonden. De monetaire
problematiek van Suriname kan dus ook sterk worden verlicht als
door  een  duurzaam herstructureringsbeleid  het  vertrouwen in
Suriname  wordt hersteld en de  kapitaaluitvoer tot staan wordt
gebracht.

  Geschiedenisles

  De  geschiedenis  leert  dus  dat  men  kennelijk  zonder  de
medewerking  van de Nederlandsche  Bank over kan  stappen op de
Nederlandse  gulden, maar  dat heeft  slechts zin  als er wordt
gezorgd  voor een  goed functionerend bankwezen.  Verder is het
zaak de kapitaaluitvoer in de gaten te houden.
  Biedt  ook nu het overstappen op de Nederlandse gulden, zoals
recentelijk  door Dereyck  Ferrir bepleit een  bijdrage tot de
oplossing of moeten we denken aan de naar verluidt door Coopers
and  Lybrand bepleitte  wisselmarkt met zwevende  koers? Op die
vraag  kunnen we pas ingaan als eerst de diagnose is gesteld en
de relatie met Nederland aan de orde is gesteld. Dat zal in een
van de volgende afleveringen van deze serie gebeuren.


1) Met dank aan drs. N.A. van Horn, historische afdeling van de
Nederlandsche  Bank  die  ons  hielp  bij  het  vinden  van oud
materiaal betreffende begin vorige eeuw.





         2.  KOLONIALISME of SAMENWERKING


Is de huidige economische problematiek van Suriname op den duur
oplosbaar?
In  de  vorige  aflevering  hebben we  gezien  dat  Suriname al
eerder,  namelijk begin vorige  eeuw, grote monetaire problemen
heeft  gekend.  Die  heeft men  toen  na enige  tijd  op kunnen
lossen. We zetten onze speurtocht naar informatie voort.
Er  blijkt een  schat aan  informatie over  Suriname's economie
beschikbaar.   Zie  bijgaande   lijst  met   proefschriften  en
rapporten:

SCHAT

-Werkgelegenheidsaspect   van  het   Surinaamse  Tienjarenplan,
Sedney,1955;
-Public finance and less developed economy, Van Philips, 1957;
-Agriculture in Surinam 1650-1950 an inquiry into the causes of
its decline, Panday,1959;
-Development planning in Surinam, Adhin,1961;
-Agricultural planning in Surinam 1950-1960, Kool, 1964;
-Meerdimensionale    Overheidsplanning    in    Suriname,   van
Dusseldorp,1967;
-Koloniale  politiek en transformatieprocessen  in een plantage
economie, Willemsen, 1980;
-Geldanalyse  en  Centrale  Bank Politiek  in  Suriname, Caram,
1981;
-Kleine boeren in de schaduw van de plantage, Heilbron,1982;
-The  American  take-over,  industrial  emergence  and  Alcoa's
expansion in Guyana and Suriname, Lamur,1983;
-Werken onder de boom,Van Gelder,1984;
-Vakbeweging en Arbeidsverhoudingen in Suriname, Campbell,1987;
-Surinaamse  kleinlandbouw  en landbouwbeleid,  een structurele
analyse, Morenc,1988;
-Economische transformatie en de staat, Gowricharn, 1991.
  Behalve  bovenstaande  veertien proefschriften  op economisch
gebied,  die ik heb kunnen verzamelen zijn er nog die van Chin,
Lamur,  Luning, Mhango en Ramsoedh en diverse proefschriften op
juridisch  en  cultureel  gebied.  Verder  bestaan  er  talloze
artikelen,  boeken en rapporten over Suriname's economie van de
hand  van onder  andere SPS(MOP), de  Miranda, Beleidsnota VSB,
Rapport  Financieel  economische  Adviesgroep,  Verslag congres
Crisis & Perspectief, Verslagen symposia Studiname en Progress,
CESWO   (Dereyk   Ferrir),   Basisdocumentatie   Suriname  (de
Bruijne),   Lezingen  Vereniging  VHP-sympathisanten,  enz.  en
rapporten van internationale organisaties, namelijk Wereldbank,
IMF,   EG  (Coopers&Lybrand)   en  talloze   andere  rapporten,
bijvoorbeeld van de Landbouw Hogeschool Wageningen.

SAMENSMEDEN

  Bovenstaande  en nog  vele andere studies,  die ieder diverse
aspecten van Suriname's economie belichten, heb ik samengesmeed
via  het  bouwen van  een  macro-model waarmee  de  werking van
Suriname's  economie op de computer kan worden nagebootst ("Een
Macro-model van een Micro-economie").
In  deze aflevering schenken we speciale aandacht aan het meest
recente  proefschrift, dat  van dr. Ruben  Gowricharn, dat gaat
over landbouw en economie in het midden van deze eeuw.

GOWRICHARN

In   het  voorwoord   bij  zijn   proefschrift  schrijft  Ruben
Gowricharn:   "Ik  ...   koos  het   marxisme  als  theoretisch
uitgangspunt".  Na zo'n  voorwoord verwacht  men een emotioneel
anti-kolonialistisch   betoog,  zeker  als   men  weet  dat  de
voorouders  van de auteur als  contractarbeiders uit India naar
Suriname  zijn gehaald. Het  boek "Economische transformatie en
de  staat"  (ISBNnr 9071167011,  uitgeverij Ruward,  Den Haag),
waarop   dr.  Ruben   Gowricharn  op   10  januari  jongstleden
promoveerde  in Utrecht valt  op door de  herwaardering van het
kolonialisme. Bij de verdediging van zijn proefschrift deed hij
juist  de uitspraak: "Kolonialisme is niet alleen ellende" toen
de  pedel binnenkwam en met "Hora  est" een einde maakte aan de
discussie.   Het   ziet  ernaar   uit  dat   de  post-koloniale
sentimenten  aan  het  verdwijnen  zijn,  want  zelfs  voor een
afstammeling   van   contractarbeiders,   met   bovendien   een
marxistisch  uitgangspunt, is de eenzijdig negatieve waardering
van  het  kolonialisme  voltooid  verleden  tijd  geworden. Dit
betekent geenszins dat we geen lering zouden kunnen trekken uit
het verleden, maar wel dat we dat kunnen doen zonder ons meteen
te    identificeren    met   hetzij    kolonisator    dan   wel
gekoloniseerden.
Het  boek gaat over de  agrarische modernisering en economische
ontwikkeling   in  Suriname   in  de   periode  1930-1960.  Dr.
Gowricharn (in 1952 geboren in Paramaribo) kent de materie niet
aleen  uit de  literatuur, maar  ook uit  de verhalen  van zijn
ouders, ooms en tantes, zo vertelde hij me. Zijn familie werkte
vroeger  als landbouwers in  het district Saramacca  en kwam in
1950 naar Paramaribo, waar zijn vader aanvankelijk een baan bij
de overheid had en zich later vestigde als goudsmid. De familie
bleef  echter een band met de  landbouw houden, want ze had een
perceel  op  Leiding  (iets buiten  Paramaribo)  waar  ze rijst
plantte.
  In zijn studie is Gowricharn tot de conclusie gekomen dat een
theorie,  die een bijdrage kan  leveren voor de oorspronkelijke
economische  ontwikkeling  van  het Westen,  in  het Surinaamse
geval  niet  op  blijkt  te gaan.  Die  theorie  luidt,  dat de
stijging  van  de  arbeidsproductiviteit in  de  landbouw zowel
arbeiders  als kapitaal vrij zou maken voor de ontwikkeling van
de industrie.

OVERGANGEN

  Gowricharn  constateert drie overgangen("transformaties"). De
eerste  betreft het verdwijnen  van de plantage  landbouw en de
opkomst  van de  kleinlandbouw. De tweede  betreft de omzetting
van  de  kleinlandbouw in  de  gemechaniseerde landbouw,  en de
derde   de  overgang  van  een  agrarische  economie  naar  een
mijnbouw-economie.
  Bij zowel de eerste als de tweede transformatie "vervulde het
koloniale    bestuur    de   rol    van    voortrekker",   door
grondtoewijzingsbeleid en de beschikbaarstelling van financiele
middelen.

KIELSTRA

  Heel  bijzonder  is  de  manier waarop  de  rol  van Kielstra
(goeverneur  van  1933 tot  1944)  wordt beschreven.  Over deze
persoon  wordt  meestal  negatief  gesproken  omdat  hij weinig
rekening hield met de spraakmakende gemeente in Suriname en het
land  met straffe hand bestuurde vanuit zijn eigen ideologische
visie.  Gowricharn laat zien dat Kielstra dacht dat de landbouw
van  Suriname gered zou kunnen worden  als de bevolking van het
land  vermeerderd zou worden (door transmigratie). Om die reden
wilde  hij  de  kleinlandbouw  bevorderen.  Gowricharn  schetst
Kielstra  als een  eigenwijs persoon, een  paternalist die zijn
eigen  ideeen  doordreef  ook als  dat  tegen de  wenst  van de
Surinaamse  elite in  ging. Gedurende  het bewind  van Kielstra
verdubbelde de productie van de kleinlandbouw. Objectief bezien
hadden de kleinlandbouwers profijt van zijn regiem.
  De  kleinlandbouwers  veranderden  later  ten  dele  in grote
rijstboeren  en ten  dele trok  men naar  de stad.  Met name de
toegenomen  werkgelegenheid bij de overheid  zoog mensen uit de
districten.  Industrie  kwam  echter weinig  van  de  grond. De
inkomsten   uit  bauxiet  en  de  kapitaalimport  krachtens  de
ontwikkelingssamenwerking   financierden  deze   groei  van  de
expanderende overheidssector. De vraag of de landbouw financier
van  industrialisatie  is geweest,  moet dus  ontkennend worden
beantwoord.    Gowricharn   concludeert:   "    het   is   zeer
onwaarschijnlijk  dat  de  Europese ervaringen  in  kleine open
economieen gerepliceerd (herhaald) kunnen worden."
Deze  studie leert, dat Suriname  een eigen manier moest vinden
hoe  de  landbouw  een  bijdrage  zou  kunnen  leveren  aan  de
ontwikkeling  van het land. De  studie van Gowricharn reikt tot
1960.  We weten  dat de  padiproductie van  1961 tot  1984, het
topjaar,  verviervoudigde! Vanwege het hoge financieringstekort
en  de daaruit voortspruitende monetaire ellende (waarover meer
in    een   volgende   aflevering)    is   de   landbouw   hard
achteruitgegaan.  De rijstexport  bedroeg in  1989 nog  maar de
helft  van die in 1984 en schijnt vorig jaar nog verder te zijn
gezakt.
  De  afgelopen tientallen  jaren is duidelijk  geworden dat de
landbouw  (zij het niet als enige) een belangrijke bijdrage aan
de  ontwikkeling kan geven.  Ook voor de  naaste toekomst is de
landbouw   heel  belangrijk.  Zo  zou  na  uitvoering  van  een
herstructureringspakket  (waarover  in een  volgende aflevering
meer)   binnen  enkele   jaren  de  export   van  rijst  kunnen
verdubbelen.

Suriname en Nederland 1867-1982

  Gowricharns studie is ook van belang, omdat er in de bijlagen
statistische  gegevens betreffende  de landbouw  over vooral de
jaren  dertig en veertig  bijeen zijn gebracht.  Wij hebben die
gegevens  aangevuld  op  basis  van  de  studies  van Heilbron,
Willemsen en de Kamer van Koophandel. Dat geeft informatie over
meer   dan   een  eeuw   (Zie  "Micromacrodataset").   Bij  het
samenvoegen   en   ordenen   van   al   die   brokstukken  kwam
langzamerhand  als het  ware de  tekening van  een legpuzzle in
beeld.  Het blijkt dat na correctie voor prijsstijging zowel de
uitvoer als de invoer in de loop der jaren sterk zijn gestegen.
De top werd in 1980 bereikt, op een niveau van liefst tien keer
zo  hoog als  in de  eerste helft  van deze  eeuw. In  de jaren
tachtig  gleed Suriname echter  weer af naar  het niveau van de
jaren  vijftig. Na een monetaire sanering kan echter het proces
van  economische  achteruitgang  worden afgeremd  en  na enkele
jaren  omgebogen in groei. Dan zou in het begin van de volgende
eeuw  het welvaartsniveau van  de jaren zeventig  weer in zicht
kunnen komen.

SUBSIDIEMIDDELEN

Het  lange termijn plaatje dat onze legpuzzle oplevert laat ook
nog  iets zien over de relatie Nederland-Suriname op zeer lange
termijn.  Althans wanneer we eerst het woord "subsidies" dat we
in  oude  statistieken tegenkomen  vertalen in  het na-oorlogse
Nederlands,   namelijk   ontwikkelings-   of  verdragsmiddelen.
Gemakshalve  trekken  we dat  samen tot  "subsidiemiddelen". We
hebben voor U uitgerekend hoe groot, voor alle jaren vanaf 1867
tot 1982, die subsidiemiddelen waren in procenten van de totale
overheidsuitgaven.  In de vorige eeuw  was dat ongeveer twintig
procent, rond de eeuwwisseling tien procent, in de eerste helft
van  deze  eeuw  dertig  procent en  daarna  tot  1982 ongeveer
twintig  procent. Die  subsidiemiddelen bestaan dus  al veel en
veel    langer    dan    het    na-oorlogse    idee    van   de
ontwikkelingssamenwerking.
Men    kan    zich    afvragen    of    we    het    idee   dat
ontwikkelingssamenwerking  een tijdelijke zaak  is niet van ons
af   zouden  kunnen  zetten.  In  plaats  daarvan  is  duurzame
economische samenwerking mogelijk tot diep in de volgende eeuw.
We denken daarbij niet aan het sturen van nieuwe Kielstra's. De
tijd  dat  Nederland  Suriname bestuurde  is  voltooid verleden
tijd. Ondanks de herwaardering door Gowricharn van aspecten van
het kolonialisme is rekolonisatie niet te verwachten.
In  plaats van aan  het ouderwetse kolonialisme  kan men echter
denken  aan moderne vormen van  economische samenwerking. Zo is
bijvoorbeeld  Nederland groot in Surinaamse ogen, maar klein in
Europees  verband. In feite is de Nederlandse economie bezig op
te  gaan  in  de  Europese,  zonder  dat  de  Nederlanders zich
gekwetst  voelen  in  hun nationale  gevoelens.  De Nederlandse
gulden  zal  op  den  duur zelfs  verdwijnen  en  opgaan  in de
Europese   munt:  de   ECU.  Dat   betekent  historisch  gezien
prijsgeven   van  enige  financile  soevereiniteit,  maar  een
kniesoor die daar op let.
Hoe  kan  men  zich  moderne  economische  samenwerking  tussen
Nederland   (en  Europa)   en  een  klein   land  als  Suriname
voorstellen?  Daarbij zoeken  we inspiratie  bij de economische
theorievorming over kleine ("micro") staten. Een micro-economie
als de Surinaamse kan onvoldoende profiteren van de economische
voordelen  van  het operen  op grote  schaal, maar  zonder veel
extra  kosten  zouden  kleine landen  kunnen  meeprofiteren van
voorzieningen  die een groot land toch al heeft. Wanneer men de
bovenstaande  schat aan  proefschriften over  Suriname nog eens
beziet,  dan  valt op  dat die  in Nederland  zijn vervaardigd.
Daaruit  blijkt dat men in Suriname bijvoorbeeld vrijwel gratis
kan   meeprofiteren  van  de   toch  al  bestaande  academische
"infrastructuur" van een groot land als Nederland.

In een van de volgende afleveringen meer over micro en macro en
samenwerking tussen landen, althans wat betreft het economische
aspect. De politieke discussie laat ik graag aan anderen over.



Landaard

  Gowricharn  snijdt  in  zijn  studie  ook  een  onderwerp aan
waarbij  hij  zich  naar mijn  idee  op glad  ijs  begeeft. Hij
spreekt  namelijk over het  "etnisch-specifieke karakter van de
succesvolle   boeren  in  de   rijstsector.  Het  waren  vooral
hindostanen..       Deze positie in  de rijstsector kan (deels)
begrepen  worden  uit  factoren die  'intrinsiek'  zijn  aan de
desbetreffende  groep en  deels uit  externe condities.  Tot de
eerste  groep van factoren kunnen zaken gerekend worden als een
groter  aantal gezinsleden  die meehelpen  in het rijstbedrijf,
een   laag  consumptieniveau,  en  op  rendement  georienteerde
waarden.  Het is  moeilijk te  ontkennen, dat  deze verschillen
tussen  de  diverse etnische  groepen bestonden...".  Ik geloof
graag   dat  de  hindoestaanse   kleinlandbouwers  in  Suriname
spaarzaam  waren.  Maar is  dat omdat  dat gebruikelijk  is bij
kleinlandbouwers of omdat het iets specifieks hindostaans is?
  Een   verwante  vraag  heb  ik   in  mijn  boek  trachten  te
beantwoorden   op  basis  van  de  gegevens  over  inkomens  en
bestedingen  van 592 huishoudens in  Paramaribo. Het gaat om de
gegevens  van het  Budgetonderzoek 1968/1969  onder huishoudens
met  aan het  hoofd een werknemer.  Daarbij is  ook de landaard
(Creool,  Javaan, Hindostaan, Overig) bekend. Het blijkt dat de
spaarquotes  klokvormig  verdeeld  zijn,  zoals  men  wel  meer
aantreft  bij zaken waarin naast systematische factoren ook het
toeval  een rol speelt. Over  iemands hele levenscyclus mag men
een  spaarquote van  ongeveer nul  verwachten, maar  in het ene
jaar  zal  er meer  en in  het andere  jaar minder  gespaard of
ontspaard  worden. Kortom,  de berekening  geeft uitkomsten die
men mag verwachten. Vervolgens is bezien of landaard van belang
is  voor de spaarquote. Dat leverde geen bevestiging op voor de
gedachte  dat Hindostanen  een andere  spaarquote zouden hebben
dan  Creolen, Javanen, of  Overigen. Let wel  de hele groep van
592  huishoudens betrof  werknemers gezinnen.  Onder werknemers
zijn  Hindostanen  in Paramaribo  kennelijk even  spaarzaam als
andere  bevolkingsgroepen. Mijn berekeningen suggereren dus dat
een  hogere spaarquote onder Hindostaanse kleinlandbouwers niet
moet  worden gezocht bij hun landaard, maar bij de aard van hun
beroep.  Bevorderen van  de nationale besparingen  kan dus door
het  aantrekkelijk te  maken dat mensen  zelfstandige worden en
blijven.




                    3.  SURINAME MODEL

Nog geen vijf jaar geleden zou het onmogelijk zijn geweest voor
een  enkele persoon om een  compleet empirisch (op statistieken
gebaseerd) macro-model voor een klein ("micro") land te bouwen.
Dank  zij de  moderne computertechnologie  heeft men  er echter
geen  huis  vol specialisten  meer  nodig. Een  gewone personal
computer   zoals  wordt  gebruikt  voor  tekstverwerken  is  al
voldoende, in combinatie met oplossingsprogramma's, waarvan het
gebruik  even gemakkelijk  is te leren  als tekstverwerken. Dat
geldt  niet alleen voor de bouw,  maar ook voor het gebruik van
het  model. Het  Suriname model  kan door  een econoom  in zijn
eentje  naast  zijn  gewone  werk  worden  gebruikt.  Door deze
technologische  ontwikkeling  kunnen  ook  kleine  landen  gaan
profiteren  van een  macro-model bij  de voorbereiding  van het
sociaal-economisch beleid.
  Behalve  computertechnologie zijn er echter  voor de bouw van
een macro-model nog drie andere zaken nodig: ideen, literatuur
over  de  economie van  het  land en  een  compleet statistisch
overzicht over de afgelopen dertig jaar.

  LAAG WATER

  Macro-modellen  van grote landen  kunnen niet worden gebruikt
voor  kleine landen, omdat de wet  van de grote aantallen in de
exportsector   niet  werkt   in  een   klein  land.   Zo  heeft
bijvoorbeeld  een schip  vol aluinaarde  een waarde  gelijk aan
0,5%  van de waarde van de  totale export van Suriname over een
heel  jaar. Als zo'n schip vanwege  laag water met Kerstmis pas
met  Nieuwjaar kan vertrekken heeft dat een effect van 1% op de
verandering  van de export van  Suriname. Als diezelfde boot in
Nederland  juist voor of juist na Nieuwjaar aan komt, heeft dat
een  te  verwaarlozen effect  op  de grote  Nederlandse invoer.
Vanwege  dit  soort  schaalkwesties  werd  het  voor onmogelijk
gehouden om een echt macro-model voor een klein land te bouwen.
Dit  is opgelost via  het volgende idee.  Klein zijn heeft niet
alleen  nadelen. Een  klein land  kent veelal  maar een beperkt
aantal  exportproducten. Dan  is voor  zo'n land  iets mogelijk
waarvoor  een Planbureau van een  groot land terug zou deinzen:
alle  exportproducten, die  tezamen goed  zijn voor  90% van de
totale  export, stuk  voor stuk  opnemen in  het model.  In het
Suriname-model  zijn  dat  onder  andere  aluinaarde, garnalen,
rijst, aluminium, bauxiet, bacove.

  SCHAT

  Een  macro-model is eigenlijk niets anders dan de organisatie
met behulp van een computer van kennis over de economie van een
land.  Gelukkig is er betreffende Suriname's economie een schat
aan literatuur beschikbaar. Die hoeft alleen maar bestudeerd te
worden   waardoor  men  zich  al   beter  kan  voorstellen  hoe
Suriname's economie werkt.

  MACROABC

  Voor  de bouw  van een  op de  werkelijkheid gebaseerde model
heeft  men economische statistieken nodig  over een periode van
liefst  meer dan dertig  jaar. Het gaat  daarbij niet alleen om
micro   informatie,  zoals  omvang  van  het  beplante  areaal,
productie,  export en prijs van de landbouwproducten, garnalen,
bauxiet  etc., maar  ook om  een systematisch  overzicht van de
gehele  (macro) economie. Voor zo'n  overzicht is het programma
MACROABC  ontwikkeld, dat kan draaien  in een spreadsheet zoals
Lotus123.  MACROABC is  een handig  hulpmiddel om  kloppend met
elkaar   Nationale   Rekeningen,   Monetaire   Overzichten   en
Arbeidsmarktbalansen  te berekenen. Daartoe  moet het programma
MACROABC  uiteraard eerst worden gevoed met basis gegevens. Het
op  een rijtje krijgen van  die basisgegevens is een vermoeiend
karwei  geweest vanwege definitieveranderingen  in de Nationale
Rekeningen,  die  Suriname  sedert 1973  kent,  terwijl daarmee
kloppende  Monetaire  Overzichten  nog  nooit  waren opgesteld.
Verder  moesten de basisgegevens voor de  jaren 1954 tot en met
1972  uit  diverse bron  worden verzameld.  Zonder de  hulp van
MACROABC zou dat nooit zijn gelukt.

  NABOOTSING GELUKT

  Op  basis van de literatuur en het idee van het microblok van
de  exportsector is eerst een  raamwerk voor het Suriname-model
gemaakt.  Vervolgens is dat door  schattingen van de onderdelen
op  basis van de dataset ingevuld, zodat het al begon te lijken
op  Suriname. Daarna  is het  model onderworpen  aan vijf zware
tests  en verder verbeterd. Die tests hielden tevens de analyse
van    het   verleden   in.   Voor   vijf   deelperiodes   zijn
"vooruitberekeningen  achteraf" gemaakt. Bijvoorbeeld is er een
berekening  gemaakt startend in  1954 op basis  van de gegevens
van het jaar 1954, maar voor de latere jaren alleen de gegevens
over  de internationale prijzen en de natuurlijke aanwas van de
bevolking.   Daarna  werd  met  het   model  becijferd  hoe  de
economische  ontwikkeling er volgens het model in de jaren 1955
tot  en met 1960 uitzag.  Die uitkomsten zijn daarna vergeleken
met  de werkelijkheid.  Behalve voor  de groeiperiode 1954-1960
zijn  "vooruitberekeningen  achteraf"  ook  uitgevoerd  voor de
jaren  1961-1967 met  de Brokopondopush;  de periode  68-75 met
bescheiden groei; de jaren 76-82 toen geld geen rol speelde; en
de jaren van de ineenstorting 83-87.

  Naar 2001

  Vervolgens  is het model gebruikt  om de recente statistieken
te  actualiseren, hetgeen aardig bleek te lukken. Daarna is een
technische  vooruitberekening gemaakt voor de jaren 1991 tot en
met 2001.

  THEORIE

  In  dit korte artikel kunnen we  natuurlijk niet ingaan op de
theorie  van het model.  Genteresseerden economen verwijzen we
naar "Een Macro-model van een Micro-economie".

  PRAKTIJK

  Met  behulp van het Suriname-model kan men uitrekenen wat het
effect  is  van  allerlei beleidsmaatregelen.  Iets  wat zonder
modelberekeningen  op micro niveau niet goed lukt. Ik heb eerst
vele  maatregelen die  van diverse zijde  zijn voorgesteld stuk
voor  stuk  doorgerekend.  Zelf heb  ik  geen  politieke ideen
toegevoegd.  Wel heb ik het model gebruikt om "pakketten" samen
te  stellen.  Een  pakket is  een  verzameling  maatregelen die
gericht  zijn op de  verwezenlijking van enkele doelstellingen.
Met  behulp van het Suriname-model kan worden becijferd wat het
effect  is van zo'n pakket op  de economie zowel in het lopende
als volgende jaren.

  DOELSTELLINGEN

Om  het  proces  van  economische  neergang  af  te  remmen  en
vervolgens  om  te  zetten  in  herstel  en  groei  dienen vier
doelstellingen tegelijkertijd te worden gerealiseerd:
1. Het financieringstekort moet naar nul.
2. De corrumperende parallelmarkt moet verdwijnen.
3.  De prijskostenquotes moeten weer  op rendabel niveau komen,
zodat ondernemers weer uit gaan breiden
4. De koopkracht van de laagste inkomens (AOV) mag niet omlaag.

  Waarom  uitgerekend  deze vier  doelstellingen tegelijkertijd
moeten worden gerealiseerd zal in de volgende artikelen in deze
serie worden uitgelegd.

  HERSTRUCTURERINGSPAKKET

  Bovenstaande  vier doelstellingen  kunnen worden gerealiseerd
door  een pakket  maatregelen, waarvan de  onderstaande vijf de
belangrijkste zijn:
1.     Verviervoudiging     van    AOV,     Kinderbijslag    en
Onderstandsuitkeringen.
2.  Devaluatie van 300%, dus de officile koers gaat van een op
een naar een op vier.
3.   De   invoerrechten  worden   aangepast,  waarbij   die  op
landbouwproducten   die  in  Suriname   kunnen  worden  gemaakt
(aardappels,  uien)  op  het niveau  van  luxe  goederen worden
gebracht.
4.  Er worden geen ambtenaren  ontslagen, maar ook vrijwel geen
nieuwe aangenomen, waardoor de omvang van het overheidsapparaat
door natuurlijk verloop met enkele procenten per jaar zakt.
5.  De overtollige geldhoeveelheid wordt  bevroren op de manier
zoals  Lieftinck dat na de oorlog in Nederland heeft gedaan, of
-nog  verder- men  stapt over  op de  Nederlandse gulden, zoals
voorgesteld  door  Ferrir. Er  wordt  door Nederland  naast de
gewone  middelen  voor  ontwikkelingsinvesteringen  vierhonderd
miljoen  Nederlandse  guldens deviezensteun  gegeven. (Wellicht
dat  daarvoor  kunnen  worden gebruikt  de  resterende garantie
middelen  van  450  miljoen Nederlandse  gulden,  die  naast de
anderhalf miljard nog beschikbaar zijn).

  RESULTAAT

  Het   Suriname-model  laat   zien  dat   bij  uitvoering  van
bovenstaand   herstructureringspakket  de  vier  doelstellingen
worden gerealiseerd, de verliezen van het normale bedrijfsleven
slaan  om in winsten, terwijl de koopkracht van het looninkomen
gemiddeld  gelijk blijft of  iets stijgt. De  profiteurs van de
parallelmarkt betalen de rekening.

  KANTTEKENINGEN

  Bovenstaand  pakket kan uiteraard alleen worden uitgevoerd in
samenspraak  met sociale partners,  terwijl de berekeningen nog
veel  nauwkeuriger zouden moeten worden uitgevoerd op basis van
meer  recente gegevens door Surinaamse instanties zoals de SPS.
Bovenstaand herstructureringspakket, dat ik op basis van ideen
van  velen heb  opgesteld in mijn  studeerkamer, diende slechts
als  illustratie van het Suriname-model en beslaat slechts vier
van  de ruim  zeshonderd bladzijden  van mijn  studie.   In een
volgende aflevering hierover meer.





                  4.  GROOT EN KLEIN


"Is de burgemeester van Paramaribo ook president van Suriname?"
Nederlanders, maar ook Surinamers, hebben er vaak moeite mee om
evenwichtig  te  oordelen  over  de  omvang  van  Suriname. Wat
betreft  bevolkingsomvang is het land  immers niet meer dan een
provinciestadje,   maar   tegelijkertijd  heeft   Suriname  een
complete  macro  economie, met  een  eigen regering,  een eigen
loonvormingsproces      met     centrale     werknemers-     en
werkgeversorganisaties,  een eigen  munt, invoerrechten  en een
eigen  begrotingsbeleid.  Suriname  is klein  (micro)  en groot
(macro)  tegelijk. Dat heeft zowel voordelen als nadelen en het
is zaak daarmee rekening te houden.

REKENSNELHEID

  Een  voorbeeld uit de  praktijk. Als men  het gemiddelde loon
per  werknemer wil berekenen houdt  men een steekproef onder de
bedrijven.  Hoeveel bedrijven  moet men  dan enqueteren  om een
nauwkeurige  berekening te kunnen maken?  Op het eerste gezicht
zou  men zeggen dat  dat afhangt van  de vraag of  het over een
groot  land (bijvoorbeeld  Nederland), dan  wel een  klein land
gaat.  Fout! In  Suriname moet men  daarvoor evenveel bedrijven
bezoeken als in Nederland.
Ook  bij  gebruik  van  een  macro-model,  maakt  het  voor  de
rekensnelheid  van de  computer niets  uit of  het om miljoenen
Surinaamse, dan wel om miljarden Nederlandse guldens gaat.

  AANLEUNEN
Een  aantal zaken zijn  voor grote en  kleine landen even duur,
dus  voor  kleine  landen  vrijwel  niet  te  betalen.  Op  het
Nederlandse CPB werken alleen al op de afdeling, waarvan ik het
hoofd  ben,  twee keer  zoveel economen  als het  totale aantal
economen van het hele Surinaamse Planbureau. En het Nederlandse
CPB   telt  liefst  twintig   afdelingen!  Tegelijkertijd  moet
Suriname   een  groter  probleem  oplossen  dan  Nederland.  In
Nederland  is een Tussenbalans opgesteld en moet gedurende vier
jaar  een procent per  jaar worden bezuinigd,  maar in Suriname
moet   men  een  herstructureringsplan  opstellen  waarbij  het
financieringstekort  van twee  en twintig  procent in  n keer
moet  verdwijnen.  Op  het  eerste  gezicht  lijkt  het  daarom
onmogelijk  een probleem van een klein  land op te lossen, maar
bij  nadere beschouwing valt dat toch mee als men twee zaken in
ogenschouw  neemt. In de  eerste plaats moet  men de voordelen,
want  die zijn  er ook,  van kleinschaligheid  uitbuiten. In de
tweede  plaats kan een klein  land profiteren van het aanleunen
tegen  een groot  land. Dat wil  uiteraard niet  zeggen dat men
zelf  niets hoeft te doen. De Surinamer Van Philips zei in zijn
dissertatie  in 1957 al: "However important such aid may be, in
my  opinion  it remains  complementary  to the  activity  to be
displayed  on the home front.  Self-activity and willingness to
make  sacrifices are fundamental conditions for the realisation
of the object in view".
  SCHAAL

In  een klein land werkt de wet  van de grote aantallen niet in
de  exportsector. Incidenten lijken dan alles te bepalen en een
grondige analyse lijkt onmogelijk.
Een  kleine schaal is echter niet altijd nadelig. Op het niveau
van   de   kleinste  eenheid   zijn   er  per   definitie  geen
schaalnadelen.   Verder   is  het   zo   dat  er   in  allerlei
productieprocessen   om  technologische  redenen  een  optimale
bedrijfsgrootte   bestaat.   Zo   blijkt   dat   de  gemiddelde
bedrijfsgrootte   onder  de  bedrijven  met  meer  dan  honderd
werknemers   zowel  in  Suriname   als  in  Nederland  ongeveer
vijfhonderd werknemers bedraagt. Dit verklaart waarom een klein
land  minder producten kent dan een  groot land. Bij de analyse
van  een klein land is daarom  iets mogelijk waarbij men in een
groot  land zou verdrinken: de export apart bekijken voor ieder
van  de producten die tezamen goed zijn voor 90% van de export,
namelijk aluinaarde, garnalen, rijst enz..
  Bij  een  klein land  kan  men bij  de  modelbouw, zo  is ons
gebleken, toch vooruit als men een combinatie van macro (groot)
en  micro (klein) methodes toepast.  Ook bij andere kwesties is
het zaak steeds een goede combinatie te vinden.

  GOLFOORLOG

Vijf  jaar  geleden heeft  er op  Malta een  conferentie plaats
gevonden  over de economie van  kleine landen. Slechts weinigen
hebben die conferentie opgemerkt. En van de onderwerpen betrof
de  levensvatbaarheid  van  Koeweit.  Pas  jaren  later  met de
golfoorlog  ontdekte de  wereld dit  item. Een  ander onderwerp
betrof  de monetaire financiering  in Suriname aan  de hand van
een bijdrage van dr. Caram (in J. Kaminarides, 1989).
De belangrijkste punten uit die conferentie:
-kleine  landen kunnen niet op  alle gebieden een specialist in
eigen land hebben.
-kleine  landen zijn niet goed in staat een compleet pakket van
publieke  diensten  (waaronder rechterlijke  macht, economische
planning, universitair onderwijs en onderzoek) aan de bevolking
aan te bieden.
-de  kleine landen  willen een  even complete overheidsapparaat
als  het voormalige moederland hebben. Aangezien dat onmogelijk
is blijven ze halverwege steken.
-kleine  landen hebben  meestal grote  moeite met  zaken die ze
niet  hadden in de  tijd toen ze  nog niet onafhankelijk waren,
zoals een buitenlandse dienst en defensie.
-de    bevolkingsverdeling   in   kleine   landen   is   veelal
onevenwichtig.
-kleine  landen  zijn  heel  gevoelig  voor  de  internationale
prijsontwikkeling  van enkele  producten. Omdat  ze een beperkt
exportpakket kennen lopen ze een groot risico.
-in  kleine  landen  kent  men  elkaar  vaak.  Daardoor  is het
moeilijk om zakelijk te blijven
-in  kleine landen kunnen ook de laagste ambtenaren gemakkelijk
toegang  krijgen tot de politici. Dat kan voordelen hebben voor
de democratie en nadelen voor een efficinte organisatie.
-de  relaties  in kleine  landen  zijn vak  informeel. Daardoor
kunnen zaken soms soepel verlopen, maar soms ook inefficint.
-in kleine landen zijn de carrieremogelijkheden beperkt.
-in  kleine  landen  hangt  veel  af  van  een  beperkt  aantal
personen. Er zijn minder checks and balances en trainingen zijn
er moeilijker te organiseren.
-het   buitenland  is   voor  kleine   landen  erg   groot.  De
buitenlandse  dienst van  de overheid is  er relatief kostbaar.
Ook  voor de relatief  kleine bedrijven is  het kostbaar om met
vele landen contact te onderhouden.
 Wanneer  men voorgaande lijst overziet komt de gedachte op van
regionale  samenwerking. Dat blijkt echter  in de praktijk niet
zo  goed te lukken. Een andere optie  is dat een klein land zou
kunnen aanleunen tegen een groot land.
  KWACHA

Een  voorbeeld hoe een klein land  zou kunnen profiteren van de
expertise van een groot land. Diverse internationaal opererende
Nederlandse  instellingen  hebben ervaring  met landen  die een
dubbele  wisselkoers kennen onder andere Malawi. Dat land heeft
in  het verleden zeer grote monetaire problemen gekend. De munt
van  Malawi, de kwacha, was sterk  in waarde gedaald, net zoals
de  Surinaamse gulden van  nu. Men is er  echter in geslaagd om
het  verschil tussen  de officiele en  de parallelmarktkoers te
laten  verdwijnen. Dat is  al een hele  verbetering, hoewel het
niet  is gelukt om een vaste wisselkoers te bewerkstelligen. De
kwacha  zweeft nu. Bij Nederlandse instellingen weet men vanuit
bedrijfseconomische  kontakten,  dat het  zweven van  de kwacha
lastig  is voor  ondernemers, waardoor  men soms  aarzelt om te
investeren, maar dat een zwevende koers altijd nog beter is dan
een  corrumperende parallelmarkt. Suriname zou van de kennis en
ervaring  van  dit soort  instellingen kunnen  profiteren. Voor
weinig  kosten, want de kennis is  toch al verzameld en bij die
instellingen  werken  vaak  lieden  die  Suriname  van  vroeger
kennen.  Soms gaat het zelfs om Surinamers, die werkervaring in
Suriname hebben, maar tien of vijftien jaar geleden om allerlei
redenen hun land hebben (moeten) verlaten.
Men  realiseert zich  in Suriname niet  altijd dat  de zonen en
dochters die het land verlaten hebben intussen zijn gegroeid in
expertise   en  internationale  achting.  Een  klein  land  als
Suriname  kan  niet  alle  kennis  in  huis  hebben  over  alle
mogelijke  monetaire en bedrijfseconomische kwesties, maar door
aan  te  leunen  tegen  een groter  land  zou  men  toch kunnen
profiteren van adviezen.

  BRILJANT

  Een  ander voorbeeld hoe  een klein land  zonder extra kosten
kan  meeprofiteren van dingen  die een groot  land toch al voor
zich zelf heeft gemaakt. Een briljant econometrist in Nederland
heeft enkele jaren geleden op verzoek van een wetenschappelijke
instelling  in de V.S. een  programma ontwikkeld waarmee op een
draagbare  computer  grote economische  modellen  kunnen worden
opgelost.  Deze hobby heeft geleid tot het programma SIMPC. Een
floppy  daarvan is in  de winkel te  koop voor zeventienhonderd
gulden.  Op mijn verzoek heeft hij  echter een versie van SIMPC
gemaakt,  waarin  het  Suriname-model kan  draaien.  Die versie
staat  nu gratis aan iedereen ter beschikking. (1) Overigens is
die  versie van  SIMPC zo  gemaakt dat  men daarmee  alleen het
Suriname-model  kan draaien. Andere landen  kunnen dus via deze
versie  geen gratis toegang tot SIMPC  krijgen. Dit is een mooi
voorbeeld  van economische samenwerking, want Suriname heeft nu
gratis  zijn versie  van SIMPC,die  anders heel  duur zou zijn,
terwijl  het maken  van deze  extra versie  weinig extra moeite
kostte.

  MICRO

Ook  op micro  niveau is er  allerlei economische samenwerking,
denk  aan de velen in Nederland, die hun familie en vrienden in
Suriname   helpen  met  het  opsturen  van  auto-onderdelen  en
dergelijke.  Nederland  en  Suriname  zijn  door  zoveel  taal-
vrienschaps-  en  familiebanden met  elkaar verbonden,  dat het
eigenlijk vreemd is dat we op macro politiek niveau net doen of
we niets met elkaar te maken hebben.

In de volgende aflevering van deze serie zullen we ingaan op de
bron van de Surinaamse ellende: het financieringstekort.

--------------
1)  Er is  tot eind  mei 1991  een gratis  demodiskette van het
Suriname-model   (inclusief   de  gratis   versie   van  SIMPC)
verkrijgbaar   door  een   envelop  te   sturen  naar  Stuseco,
C.Jolstraat  50, 2584ET  Den Haag,  met daarin  uw naam, adres,
diskettegrootte  (3 1/2  of 5  1/4) en  fl 7,50  (postzegels of
cheque)  voor de  verzendkosten. Behalve  die diskette  heeft U
niets  anders nodig dan  een gewone personal  computer (640 Kb)
met MSDOS.




      5.  BRON VAN ELLENDE: HET FINANCIERINGSTEKORT


"We  mogen niets van  de President" was  vroeger een klacht van
enkele  economen op  de studiedienst  van de  Centrale Bank van
Suriname.  Deze economen hadden medio  jaren tachtig iets slims
uitgedokterd:  de Surinaamse gulden zou  niet meer volledig aan
de  Amerikaanse dollar  moeten worden gekoppeld,  maar ten dele
ook  aan de  Nederlandse gulden. Theoretisch  klopte het prima,
maar  de President  was bang  dat het  de kostprijsberekeningen
voor de ondernemers ingewikkelder zou maken. Omdat de President
vroeger  ooit  boekhouder  was  geweest,  wist  hij  dat zoiets
nadelig uit kan werken op de investeringsbeslissingen.

MONETAIRE RUST

Deze  President  bracht  verder  zijn  economische  experts tot
wanhoop,  omdat hij de concept teksten voor het jaarverslag net
zo  lang terugstuurde  naar zijn economen  van de studiedienst,
totdat  hij zelf begreep wat er in stond. Hij verbijsterde zijn
staf  met  de mededeling:"Zolang  ik  niet snap  wat  er staat,
begrijpen  de lezers het ook niet".  In die tempo doeloe vergat
men soms dat er een Centrale Bank in Suriname bestond, zo groot
was  de monetaire rust. We  weten nu dat dat  ideaal is voor de
economie,  ondanks het feit  dat zo'n toestand  niet boeiend is
voor monetaire economen.
  Hoe  anders is de toestand nu.  In plaats van n wisselkoers
zijn  er twee, en n  daarvan verandert dagelijks, terwijl het
een  nationale  sport is  geworden om  zich zoveel  mogelijk te
verrijken  door tussen de ene en de  andere koers op en neer te
wandelen.  De monetaire economen  kunnen hun intellectuele hart
ophalen, want het ene idee voor meervoudige zwevende koersen is
net  in discussie gebracht, of  het volgende plan voor openbare
valuta  veilingen wordt  alweer naar  voren gebracht.  Er wordt
zelfs  serieus voorgesteld  om voor iedere  exporteur een eigen
koers te laten gelden: een "sectorale retentieregeling", zolang
de  "parallelmarkt" bestaat. In deze chaotisch monetaire tijden
wordt   het  Surinaams  Nederlands   met  vele  nieuwe  woorden
verrijkt.  In een volgende  aflevering in deze  serie zullen we
dieper  ingaan op vaste en  zwevende wisselkoersen. Hier vragen
we  ons af hoe Suriname vanuit de monetaire rust van vroeger in
de huidige chaos is gekomen.

GULDEN REGEL

Niet  alleen de  President van  de Centrale  Bank, maar  ook de
Minister van Financin hield er vroeger een gulden regel op na:
hij  gaf niet meer uit dan  zijn inkomsten. De tering werd naar
de  nering  gezet. Als  de inkomsten  tegenvielen, dan  werd er
bezuinigd.  Regelmatig ging  in vroeger tijd  het gerucht rond,
dat   er  geen  geld  meer  was  voor  de  uitbetaling  van  de
ambtenarensalarissen.  Zover kwam het nooit, maar de schrik zat
er   wel   in   en   er   werden   steeds   tijdig   de  nodige
inkomstenverhogende    en   uitgaven   beperkende   maatregelen
getroffen.  Het was duidelijk dat  de Minister van Financin in
die  tijd liever de  uitbetaling van de  salarissen zou staken,
dan  illegale leningen  opnemen bij de  Centrale Bank. Afgezien
van  kleine  vertragingen en  versnellingen in  de maandelijkse
betalingen  en ontvangsten, was  het financieringstekort steeds
gelijk aan nul.

ILLEGAAL

Begin  jaren tachtig was er een daling in de overheidsinkomsten
uit  bauxiet en  ontwikkelingsmiddelen. De  overheid bezuinigde
daarom op de ontwikkelingsuitgaven, maar de inkomstendaling uit
de    bauxiet   leidde    niet   tot    belastingverhoging   of
uitgavenbeperking.  Integendeel werden de consumptieve uitgaven
zelfs  verhoogd!  Het  gat  werd gedicht  met  leningen  bij de
Centrale  Bank.  Dat  is illegaal,  maar  illegale activiteiten
waren  voor  de  bestuurlijke top  toen  heel  gewoon. Bijgaand
tabelletje  bewijst,  dat het  financieringstekort in  de jaren
1982,  1983  en 1984  leidde  tot meer  geld  in omloop  dan er
goederen  waren, hetgeen zuigkracht op de invoer uitoefent. Men
ziet in die jaren daarom afname van deviezen.

Monetaire gegevens Suriname
--------------------------------------------------------------
Jaar                   80  81  82  83  84  85  86  87  88  89
   *mln Sf
Financieringstekort   -20  57 102 320 290 365 446 504 495 370
Afname deviezen       -52 -29  78 169 102  14   8   0  16  -2
Toename geldhoeveelheid32  82  54  76 113 287 395 310 383 233

Koers parallelmarkt     1   1   1   1   1  2,2 3,2 4,6 5,0 7,3


BRON VAN ELLENDE

In  1984  was de  deviezenvoorraad op,  maar  in plaats  van de
tering   naar   de   nering   te   zetten,   startte   men   de
invoercontingentering.   Er  werden  per   kwartaal  niet  meer
invoervergunningen  uitgegeven dan de exportopbrengsten van dat
kwartaal    groot    waren.    De    door    het   voortdurende
financieringstekort  steeds verder  toenemende geldvoorraad kon
via  import  niet meer  afvloeien naar  het buitenland.  Als de
consumenten   steeds  meer   geld  in   handen  hebben   en  de
goederenhoeveelheid  is  kleiner,  dan stijgen  de  prijzen. De
consument  wil steeds meer  betalen en de  handelaar wil steeds
meer  ontvangen voor dezelfde hoeveelheid goederen, zowel de in
Suriname   geproduceerde  als  de  gemporteerde,  waardoor  de
wisselkoers  op  de  vrije  parallelmarkt  stijgt.  In bijgaand
tabelletje  ziet men dan ook  dat de geldhoeveelheid sinds 1984
ieder  jaar toeneemt en vervolgens de koers op de parallelmarkt
ten   opzichte  van  de  officile   koers.  Momenteel  is  die
verhouding al een op tien. De oorzaak van het uiteengroeien van
officile  en parallelmarktkoers  is dus  niets anders  dan het
voortdurende   financieringstekort   van   de   overheid.   Dat
voortdurende  tekort  is  de  bron  van  de sociaal-economische
ellende  van Suriname.  Zolang die  bron niet  wordt gedempt is
economisch herstel uitgesloten.

SOCIAAL-ECONOMISCH GEVOLG

Het   financieringstekort   is  de   oorzaak  van   de  dubbele
wisselkoers en die heeft op zijn beurt twee gevolgen.
1)  Door  op  en neer  te  wandelen tussen  officile  markt en
parallelmarkt  kunnen sommigen enorme rijkdom vergaren. Anderen
daarentegen  komen in  steeds bitterder  armoe te  verkeren. De
spanning  tussen de twee  markten lokt onvermijdelijk corruptie
uit.  Dus  in  de eerste  plaats  om sociale  redenen  moet die
parallelmarkt  verdwijnen.  Er  is  echter  ook  een economisch
belangrijke reden daarvoor.
2) Producenten voor de export zoals rijstboeren moeten de harde
valuta  die zij verdienen geheel of gedeeltelijk afstaan aan de
overheid,  terwijl ze een belangrijk  deel van hun grondstoffen
op  de  dure parallelmarkt  moeten kopen.  Vroeger winstgevende
productie  is  daardoor verlieslatend  geworden.  Daardoor zijn
ondernemers  gedwongen  hun productie  in  te krimpen.  Door de
dubbele  wisselkoers wordt  het normale  bedrijfsleven langzaam
gewurgd.  Men ziet dan  ook dat de  rijstproductie intussen nog
maar  de helft is  van het vroegere niveau.  Dat is niet alleen
vervelend  voor  de Surinaamse  ondernemers en  hun werknemers,
maar  ook  de binnenlandse  welvaartsbron  voor de  overheid en
uitkeringsgerechtigden droogt daardoor steeds verder op.

STRUCTURALISME

De  monetaire invalshoek legt glashard het bewijs op tafel, dat
het  financieringstekort de oorzaak van  de ellende is. Men kan
echter  nog dieper graven  en vervolgens vragen  wat de oorzaak
van  het  financieringstekort  is.  In het  kort  (1)  komt het
grofweg  neer op het volgende. Het economisch proces wordt mede
bepaald  door  diep  liggende structuren,  die  via economische
maatregelen  moeilijk  te  veranderen zijn.  In  het Surinaamse
geval  is zo'n diepliggend structureel  gegeven, dat 90% van de
bevolking in 1980 aan de militairen het voordeel van de twijfel
gaf,  zonder erover na te denken hoe men er ooit weer vanaf zou
kunnen  komen. Dit heeft tot gevolg gehad, dat er in het midden
van  de jaren  tachtig een  maatschappelijke structuur bestond,
waarbij  de regering onvoldoende  maatschappelijk draagvlak had
om  een  herstructureringsbeleid  te voeren.  Dat  lijkt  me de
oorzaak  voor het ontstaan van  het financieringstekort. Dat de
democratisch  gekozen regering, die eind  jaren tachtig aan het
bewind  kwam, niet startte  met een herstructureringsprogramma,
is  wellicht ook het gevolg van maatschappelijke structuren. De
voortgaande  guerilla en vredesproces  slokte veel bestuurlijke
energie  op.  Het ambtelijk  apparaat  was vanwege  brain drain
uitgehold.  Ook  beschikte  men nog  over  een  macro-model als
hulpmiddel  voor de formulering van herstructureringsbeleid, in
het   bijzonder  het  zichtbaar   maken  van  mogelijkheden  en
redelijkerwijs te verwachten gevolgen in onderling verband.

GEEN POLITIEK

De  maatschappelijke  structuur vormt  ongetwijfeld  de diepere
oorzaak  van het financieringstekort. Het uiteenrafelen daarvan
en  verzinnen van  verbeteringen is echter  een politieke zaak,
waar  ik het hoofd niet meer  over zal buigen. Mijn bijdrage is
beperkt  tot de  economische kant. Dat  is al  lastig genoeg en
bovendien  kan het aandragen van  materiaal ten behoeve van een
goed  economisch  beleid  wellicht  ook  in  het  algemeen  een
bijdrage leveren aan maatschappelijke verbetering. Zo staat het
voor  mij vast dat uitroeiing van de parallelmarkt de corruptie
zal doen verminderen en het zedelijk peil verhogen.
  Het   is   overigens   uitgesloten   dat   de   corrumperende
parallelmarkt  door  prijscontrole  en  dergelijke  zou  kunnen
worden uitgebannen. Dat is slechts symptoombestrijding. Dweilen
met de kraan open. Er zit echt niets anders op dan de bron, het
financieringstekort  te dichten. Dit is overigens niets nieuws.
Caram  heeft dat in 1981 in zijn proefschrift al geconcludeerd,
Adhin in 1961 en Van Philips in zijn proefschrift in 1957.

SOCIAL DEBT

Behalve  het probleem van het financieringstekort is er nog een
ander  tekort dat de aandacht verdient, namelijk het tekort aan
welvaart,  de "social debt".  In de discussies  over het gezond
maken  van  de  economie  wordt  wel  eens  te  weinig aandacht
geschonken aan de sociale gevolgen. Er wordt daarom voorgesteld
niet alleen te praten over de overheidsschuld, maar ook over de
sociale  schuld  (2).  Het  komt  erop  neer,  dat  men  bij de
formulering  van een herstructureringspakket ook moet letten op
de  sociale gevolgen  en aanvullende maatregelen  moet nemen om
die te verzachten. Hierdoor wordt bovendien het maatschappelijk
draagvlak  voor het herstructureringsbeleid breder en is er dus
meer kans dat het wordt uitgevoerd. Soms stelt men in dat kader
aanvullende   werkgelegenheidsprojecten   voor.   Aangezien  in
Suriname  al  een veel  te groot  deel van  de beroepsbevolking
staat geparkeerd bij het improductieve deel van de overheid, is
dat  niet zinvol. Wel kan men denken aan maatregelen ten gunste
van  de koopkracht van bejaarden (AOV)  en kinderen (KB) die te
oud of te jong zijn om met werken de kost te verdienen.
  In  een van de  volgende afleveringen zullen  we ingaan op de
vraag   hoe  het   financieringstekort  naar   nul  kan  worden
teruggebracht   in  het  kader   van  een  pakket  maatregelen,
waaronder verviervoudiging van de AOV en AKB uitkeringen.


----------------------
1)    Voor    een    filosofische    benadering    vanuit   een
structuralistische invalshoek verwijs ik naar mijn laatste boek
en naar Joy M.ten Berge 1990.
2) Ministerie van Arbeid & UNDP/ILO-RLA: "Suriname: The
challenges to meet the social debt, 1980-1987", Paramaribo
november 1989.




                6.  VASTE WISSELKOERS

Om  11.00 uur op zaterdag 16  maart 1991, juist voor de aanvang
van  het symposium over het Gemenebest idee, stond de koers van
de  Surinaamse gulden op 1 : 8,5.   Jan de Koning en Ad Melkert
spraken  zich  op dat  symposium uit  voor de  mogelijkheid van
intensievere  relaties met  Suriname. Na  het weekend  bleek de
koers  op  de  parallelmarkt  te zijn  gedaald  naar  1  : 7,5.
Kennelijk houdt men op de parallelmarkt serieus rekening met de
uitvoering van een herstructureringspakket.
De  koers  van  de  Surinaamse gulden  "zweeft".  Hoe  ging dat
vroeger?

VASTE WISSELKOERS

In  1826 stapte  men, zo zagen  we in de  eerste aflevering van
deze  serie, over van  de Surinaamse Florijn  op de Nederlandse
gulden.  De  Nederlandsche Bank  verleende daaraan  geen enkele
medewerking.  Toch lukte  dat goed, omdat  de Surinaamsche Bank
vanaf  1865 Surinaamse  bankbiljetten uitgaf met  een koers van
een  op een ten  opzichte van de  Nederlandse gulden. Die koers
kon  worden gehandhaafd, omdat de Surinaamsche Bank zorgde voor
een  goede  dekking en  haar  middelen niet  lang  vastzette of
onverantwoorde kredieten verstrekte.

KOPPELING AAN $ ?
  In 1940 bij het uitbreken van de oorlog behield Suriname zijn
Nederlandse  munten  en  Surinaamse  bankbiljetten,  maar  deze
guldens  werden niet  langer meer gekoppeld  aan de Nederlandse
gulden.  Van 1940  tot 1984 was  er een vaste  koppeling aan de
Amerikaanse dollar. Slechts n keer werd er gedevalueerd. Vr
27-12-1971 was een dollar Sf 1,885 waard en daarna Sf 1,785. De
vooroorlogse  Nederlandse  munten werden  geleidelijk vervangen
door  Surinaamse.  Sinds  1984  kent  Suriname  naast  de vaste
officile koers een zwevende parallelkoers.
 Het  is duidelijk dat  het het beste  voor Suriname's economie
zou  zijn, als men  zou kunnen terugkeren  naar de situatie met
vaste  wisselkoers, zoals vr 1984 het geval was. Moet dat een
terugkeer  naar de  dollar betekenen?  In de  na-oorlogse jaren
bestond  er tot 1971  vrijwel een vaste  koers tussen dollar en
Nederlandse  gulden.  In de  jaren  vijftig en  zestig  was een
Surinaamse  gulden  steeds  ongeveer  twee  Nederlandse guldens
waard.   In  feite   was  de   Surinaamse  gulden   toen  zowel
vastgekoppeld  aan  de dollar  als  aan de  Nederlandse gulden.
Sedert  1971  kent  de  dollar  echter  weinig  stabiliteit ten
opzichte  van de  belangrijkste Europese  valuta. De Amerikanen
krijgen  hun begrotingstekort almaar niet onder controle en het
ziet er daarom naar uit dat de dollar zal blijven kwakkelen.


KOPPELEN AAN ECU VIA NF
Het bedrijfsleven wil graag dat de wisselkoersen vast zijn. Dat
geeft  minder  onzekerheid  bij  investeringsbeslissingen.  Bij
vaste  wisselkoersen  mag  men  er  immers  op  rekenen  dat de
importkosten  en exportopbrengsten  niet uit de  pas gaan lopen
door  wisselkoersveranderingen.  Dat  is  de  reden  waarom  de
Europese  landen  streven  naar  onderling  vaste  koersen,  en
uiteindelijk  zullen de nationale munten  opgaan in de Europese
munt,  de ECU.  Het is  echter niet zo  dat alle  landen van de
wereld vaste wisselkoersen zullen kennen. Zo wijkt de koers van
de  Amerikaanse  dollar steeds  meer af.  Die is  momenteel ten
opzichte  van de Nederlandse gulden nog  maar de helft van zijn
vroegere   waarde.  Bij   het  weer  invoeren   van  een  vaste
wisselkoers  zal men  in Suriname  dus moeten  kiezen tussen de
Amerikaanse  dollar of  de Europese  ECU (voorlopig  de Nf). Om
economische redenen is het het beste om te koppelen aan de munt
van de regio waar men de meeste economische relaties mee heeft.
In  de eerste  plaats zijn dat  de handelsrelaties.  Als men de
tabel  met  gegevens over  handelsverkeer beziet,  wordt meteen
duidelijk  waarom in de jaren veertig en vijftig de Amerikaanse
dollar  de  logische  keuze  was. Meer  dan  een  derde  van de
Surinaamse  invoer  kwam uit  Noord  Amerika en  liefst tachtig
procent  van de  uitvoer ging er  naar toe.  Geleidelijk aan is
daar verandering in gekomen.


   Uitvoer Suriname naar     1957 1965 1975 1985 1988

    Noord Amerika              80   60   46   16   21
    Nederland                  10   10   18   29   23
    Andere landen              10   20   36   55   56
   Totaal                     100  100  100  100  100

  De  invoer van Suriname  komt steeds meer  uit het Carabisch
gebied.  Dat komt omdat Suriname uit Trinidad zijn olie betrekt
en  die  is  de  afgelopen  tientallen  jaren  sterk  in waarde
gestegen.  Voor  de  rest  is  er  minder  verandering  in  het
invoerpatroon.  In de uitvoer hebben echter grote veranderingen
plaats  gevonden. Ging in de  jaren vijftig nog tachtig procent
van  de uitvoer naar Noord  Amerika, nu is dat  nog maar een en
twintig procent. Daarentegen gaat een steeds groter deel van de
uitvoer   naar  Nederland  en  "andere  landen",  en  dat  zijn
voornamelijk Europese landen. In feite is de Surinaamse uitvoer
geleidelijk  op Europa georinteerd geraakt. Hierbij tekenen we
aan dat de uitvoer van Suriname voornamelijk aluinaarde betreft
en  de  prijs  daarvan  wordt genoteerd  in  dollars.  Zowel de
aluinaarde  prijs als de dollar schommelen nogal. Daarom hebben
we  uitgerekend  of  de  aluinaarde  prijsindex  meer samenhang
vertoont   met   de   Nederlandse,  dan   wel   de  Amerikaanse
uitvoerprijsindex,  steeds in dezelfde valuta gemeten. Er bleek
iets  meer samenhang met de  Nederlandse dan met de Amerikaanse
prijsindex te zijn.
  De  verschuiving van de VS naar Europa geldt niet alleen voor
de  goederenhandel, maar ook voor het dienstenverkeer. Suriname
vormt  een grote  toeristische trekpleister  voor de Surinaamse
Nederlanders.  Verder  kan  Suriname  allerlei  specialistische
diensten het handigst uit Europa (Nederland) betrekken. Er zijn
nu   eenmaal  intensieve  culturele   en  familiebanden  tussen
Nederland  en  Suriname. Het  ziet er  zelfs  naar uit  dat het
Nederlands  in  Suriname de  afgelopen tientallen  jaren steeds
belangrijker  is geworden. Het  Nederlands is tegenwoordig niet
alleen  in  het  officile  verkeer, maar  ook  thuis  de meest
gesproken   taal.  Verder  zijn  er  veel  Surinamers  met  een
pensioeninkomem uit Nederland. Het Nederlandse bedrijfsleven is
de   afgelopen  decennia  weliswaar  grotendeels  uit  Suriname
verdwenen,  maar Suriname heeft nog  wel een aanzienlijk bedrag
aan  verdragsmiddelen  tegoed,  en  dat  luidt  in  Nederlandse
guldens.  Anders dan een halve  eeuw geleden, ligt tegenwoordig
een  koppeling  van  de  Surinaamse  munt  aan  de  ECU  via de
Nederlandse  gulden  meer voor  de  hand dan  koppeling  aan de
dollar.

VARIANTEN

Hoever  zou de  koppeling aan de  ECU (via Nf)  kunnen gaan? Er
zijn  drie vormen  denkbaar. In de  eerste variant  gaat het er
alleen  om een  vaste wisselkoers tot  stand te  brengen. In de
tweede  variant,  zoals  door  Ferrir  voorgesteld,  stapt men
volledig over op de Nederlandse gulden.
Een  tussenvariant zou  kunnen zijn dat  men voor  de munten en
bankbiljetten  overstapt op de Nederlandse gulden en zelf zorgt
voor  een goed giraal verkeer. Die tussenvariant is uitvoerbaar
zonder de medewerking van de Nederlandsche Bank en komt overeen
met de situatie zoals die tussen 1826 en 1940 heeft bestaan.
 Alle  drie varianten  behelzen een vaste  wisselkoers, dus het
verdwijnen  van de parallelmarkt. Dat is alleen mogelijk in het
kader  van  een compleet  herstructureringspakket,  waarbij het
financieringstekort en de parallelmarkt verdwijnen. Daarover in
een  andere aflevering meer. Een van de aspecten in zo'n pakket
is  dat er vertrouwen  in de munteenheid  moet zijn. Behalve de
maatregelen  van  een herstructureringspakket  is  daarvoor ook
nodig  dat  er weer  een  deviezenvoorraad komt.  In  de eerste
variant  ligt die dan in de kluizen van de Centrale Bank, en in
de  andere varianten gedeeltelijk in de handen van het publiek,
namelijk  voor  wat  betreft de  munten  en  bankbiljetten. Het
girale  geld dient ook tot op zekere hoogte gedekt te zijn door
deviezen.

 Zonder  een deviezenvoorraad zal  er onvoldoende vertrouwen in
de munt zijn, waardoor het herstructureringspakket niet slaagt.
Deze  vicieuze  cirkel  kan in  het  Surinaamse  geval wellicht
doorbroken  worden  door  een  garantie  in  het  kader  van de
verdragsmiddelen  van vier honderd miljoen Nederlandse guldens.
De vraag of Suriname het beste volledig over zou kunnen stappen
op  de Nederlandse gulden,  of dat koppeling  voldoende is, kan
pas  goed  worden beantwoord  als er  meer  bekend is  over het
functioneren  van het Surinaamse bankwezen, in het bijzonder de
onafhankelijkheid van de Centrale Bank, ook op langere termijn.
Tevens dient het herstructurerings-pakket eerst nader te worden
gepreciseerd  en op  duurzaamheid bekeken  en verder  te worden
doorgerekend.  Verder  dient  bezien  te  worden  hoe mogelijke
kapitaalvlucht  kan  worden  voorkomen,  de  vormgeving  van de
geldzuivering  (a  la Lieftinck?)  enz.   Het vraagstuk  van de
wisselkoers  is  hier slechts  vanuit  macro-economisch oogpunt
bezien,  zonder in te gaan op monetaire uitvoeringskwesties. In
een  van de  volgende afleveringen  hopen we  in te  gaan op de
mogelijkheden  van een  zwevende koers. Dat  is een second-best
oplossing, maar altijd nog beter dan wat er nu is.

SAMENWERKEN OF AANLEUNEN?

Een   monetaire  samenwerking  tussen   Nederland  en  Suriname
betekent  dat Nederland veranderingen  in zijn monetaire beleid
eerst  ter goedkeuring  aan Suriname zou  moeten voorleggen, en
andersom. Een dergelijke samenwerking tussen olifant en muis is
moeilijk   voorstelbaar.   Suriname  kan   echter   ook  zonder
juridische regeling zijn munt koppelen aan de Nf of er zelfs op
over  stappen.  Aangezien  Nederland  al  zoveel  rekening moet
houden  met zijn  Europese partners,  hoeft Suriname  echt niet
bang  te zijn  voor monetair wanbeleid  van Nederland. Koppelen
aan  de NF is  in feite koppelen  aan de ECU.  Dat geeft zoveel
zekerheid  dat het  aanleunen tegen de  Nederlandse gulden niet
meer  verlies  aan  soevereiniteit  voor  Suriname  geeft,  dan
Nederland prijs gaf aan Europa.
  We   onderstrepen  nogmaals  dat  overstappen  op  een  vaste
wisselkoers    slechts    mogelijk    is    als    tevens   het
financieringstekort op nul wordt gebracht en andere maatregelen
in  het  kader van  een  herstructureringspakket tegelijkertijd
worden   uitgevoerd.  Dit  betekent   geen  pleidooi  voor  een
zogenaamde  "shock therapie". Suriname  heeft al teveel sociale
schokken meegegemaakt. Het is juist zaak een uitgebalanceerd en
vooraf  doorgerekend pakket maatregelen  tegelijk uit te voeren
om  wilde klappen  te voorkomen.  In het  kader van  deze reeks
korte  artikelen kan ik  uiteraard niet alle  van belang zijnde
aspecten  grondig  behandelen.  Daarvoor verwijs  ik  naar mijn
proefschrift.




                 7.  MIDDENKOERS


Stel  dat er in Suriname een herstructureringspakket zou worden
uitgevoerd, waaronder het overstappen op een vaste wisselkoers,
met  vrije import. Wat is dan  de middenkoers, de ene koers die
in  de plaats komt  voor de huidige  dubbele koersen? Hoe groot
zou de deviezenvoorraad dan bij voorkeur moeten worden?

REKENSOM

Om  die  vragen  goed  te  kunnen  beantwoorden  moet  met vele
factoren  rekening worden gehouden, maar  grofweg komt het neer
op het volgende. We gaan daarbij uit van de parallelmarkt koers
van  een op tien, zoals die  eind vorig jaar gold. De officile
koers ronden we gemakshalve af op n Sf is gelijk aan n Nf.

   SURINAAMSE INVOER     OFFICIEEL PARALLEL  TOTAAL

   Nu in Nf                 600   +   300   =  900
   Nu in Sf                 600   +  3000   = 3600

   Straks? (4Sf=1Nf?)in Sf 2400   +  1200   = 3600


De  officile  goedereninvoer  bedraagt  ongeveer  zes  honderd
miljoen,   zowel  in  Surinaamse  als  in  Nederlandse  guldens
gemeten. Dus voor deze invoer ter waarde van zeshonderd miljoen
Nederlandse  guldens betaalt  de Surinaamse  koper afgezien van
handelswinst ook zeshonderd miljoen Surinaamse guldens.
De  invoer via  de EA-vergunningen  stellen we  op drie honderd
miljoen  Nederlandse  guldens.  Voor  deze  parallelmarktinvoer
betaalt  de Surinaamse  consument echter  bij een parallelkoers
van 1 : 10 drie duizend Surinaamse guldens. De totale invoer is
dus   negen  honderd  Nederlandse  guldens  waard,  terwijl  de
Surinaamse  consument  er  zes  en  dertig  honderd  Surinaamse
guldens voor neer telt.
Gemiddeld  genomen worden  er dus vier  Surinaamse guldens neer
geteld  voor  invoer  ter  waarde  van  n  Nederlanse gulden.
Wanneer  we het kapitaalverkeer  even buiten beschouwing laten,
geldt  er dus een  middenkoers van n  op vier. Anders gezegd,
als  de huidige dubbele  koersen van 1:1  en 1:10 zouden worden
vervangen  door  n  koers  van  1Nf:4SF  ,  dan  zouden  alle
Surinamers tezamen voor de invoerproducten evenveel betalen als
nu,  terwijl  het buitenland  evenveel Nederlandse  guldens (of
andere  harde valuta) zou ontvangen  als nu. Sommige Surinamers
zullen  er daarbij op vooruit  gaan, anderen daarentegen zullen
er fors op achteruit gaan.
De  invoer van  zes honderd  miljoen, die  nu via  de officile
markt  loopt,  gaat  de Surinaamse  consument  vier  en twintig
honderd  Surinaams kosten.  De invoer van  drie honderd miljoen
Nederlandse guldens, die nu via de parallelmarkt loopt, gaat de
Surinaamse consument twaalf honderd miljoen Surinaams kosten.
Het  overstappen op n vaste koers kan alleen via een compleet
herstructureringspakket. Bijvoorbeeld een waarbij de werknemers
er  gemiddeld niet op achteruit gaan, het normale bedrijfsleven
zijn    verliezen   ziet    veranderen   in    winst,   en   de
parallelmarkprofiteurs  de rekening betalen, want die verliezen
dan hun nu nog gigantische winsten.

SOEVEREINITEIT

In  hoeverre was  de Surinaamse  gulden in  het verleden gedekt
door  deviezen? Een land dat soeverein is, kan immers zelf geld
scheppen?  Een  soeverein  land  kent  seigniorage.  Het  woord
seigniorage  is vermoedelijk  afgeleid van  seigneur, de vorst,
die  het  recht  heeft munten  te  laten slaan.  De  waarde van
papiergeld  is veel meer dan de drukkosten. Het verschil tussen
waarde  en kosten is de winst voor de soeverein. Althans op het
eerste gezicht. In de praktijk dient de waarde van het geld tot
op  zekere hoogte  te worden gedekt  door een deviezenvoorraad,
anders  heeft het publiek onvoldoende vertrouwen in het geld en
verliest het zijn functie. Zeker voor kleine landen, die veelal
risico's  lopen vanwege hun  eenzijdig exportpakket, geldt, dat
ze een flinke dekking van hun munt nodig hebben.

GOUDEN STANDAARD

Bij  volledige dekking van de  geldhoeveelheid door de goud- en
deviezenvoorraad  is er geen seignioragewinst. Dan is er sprake
van  de "gouden standaard".  Uit de tabel  met gegevens over de
geldhoeveelheid  en  de deviezenvoorraad  blijkt dat  tot begin
jaren  tachtig de hoeveelheid  munten en bankbiljetten volledig
was  gedekt door deviezen. De  deviezenvoorraad was zelfs groot
genoeg  om  ook  een belangrijk  deel  van het  girale  geld te
dekken.  In  1982  was slechts  140  miljoen Sf  van  de totale
geldhoeveelheid  ongedekt, dus de seigniorage bedroeg niet meer
dan  dat bedrag. Bij  volledig overstappen op  een vreemde munt
moet ook dat bedrag gedekt worden.

De Surinaamse deviezenvoorraad was in 1982 vijf honderd miljoen
Nederlandse  guldens  waard. De  geldhoeveelheid was  toen voor
drie  kwart  gedekt door  deviezen. De  huidige geldhoeveelheid
bedraagt  bijna twee en een half miljard Surinaamse guldens. Na
een  devaluatie van 300% (dus van 1:1 naar 1:4) zou dan bij het
dekkingspercentage    van   1982   een   deviezenvoorraad   van
vierhonderd   miljoen  Nederlandse  guldens   nodig  zijn.  Bij
volledig overstappen op de Nederlandse gulden

   GELDHOEVEELHEID EN DEVIEZENVOORRAAD
   Jaar                      1954 1961 1968 1975 1982 1989
     mln.Sf
   munten en bankbiljetten     14   22   38   87  267  873
   giraal geld                 11   25   40  102  212 1394
   deviezenvoorraad            17   30   68  206  335   18
   bron: Micromacrodataset

is  dan bij  volledige dekking zes  honderd miljoen Nederlandse
guldens  nodig.  Dit  alles  onder  de  voorwaarde  dat  er een
compleet  herstructureringspakket wordt  uitgevoerd, terwijl er
geen  kapitaalvlucht  optreedt  in  de  vorm  van  bijvoorbeeld
plotselinge  verkoop van  onroerend goed,  gevolgd door uitvoer
van  dat  geld.  Voor  het  kapitaalverkeer  zullen  er  daarom
beperkingen  moeten gelden, zoals die trouwens ook vr 1984 al
bestonden.

DUURZAAMHEID

  Als  er vanwege een  duurzaam herstructureringsprogramma plus
een  flinke  deviezenvoorraad vertrouwen  in de  munt ontstaat,
behoeft  men die  deviezenvoorraad niet aan  te spreken. Anders
gezegd:   als   een   compleet   herstructureringspakket  wordt
uitgevoerd, is het niet per se nodig dat Suriname beschikt over
vier  honderd miljoen Nederlandse guldens. Het is voldoende als
de garantie er ligt, dat er in geval van nood voor vier honderd
miljoen  deviezensteun zal worden  gegeven. Het genoemde bedrag
is    dus    geenszins    bedoeld    ter    financiering    van
overheidsuitgaven.

BEDRIJFSECONOMIE
Sommigen     hopen     dat     na     uitvoering     van    een
herstructureringspakket  (inclusief een devaluatie van 300%) de
export   geweldig  zal   stijgen.  Dat  valt   echter  niet  te
verwachten.  Ruim de  helft van  de Surinaamse  uitvoer bestaat
immers  uit aluinaarde en  aluminium. Hun productieniveau wordt
in feite bepaald door de energie van de stuwdam bij Brokopondo.
Andere  exportproducten zoals rijst en  hout, zijn wel gevoelig
voor  de  prijskostenverhouding.  De  productie  van  rijst  is
momenteel  verliesgevend. Daardoor zaaien de rijstboeren minder
in  en gebruiken  minder kunstmest,  waardoor de  opbrengst per
hectare  daalt. De rijsproductie is  intussen al gehalveerd, en
als  dat  zo door  gaat  verwijnt de  rijstexport  helemaal. Na
herstructurering  kan de rijstproductie weer  op het niveau van
enkele  jaren geleden  komen. Dat  betekent voor  de export van
rijst  een verdubbeling  ten opzichte  van het  huidige niveau.
Verder  worden  dan  uitbreidingsinvesteringen  weer  rendabel,
zodat  verdere groei mogelijk  is. Dat zal  echter enkele jaren
kosten.  "Als  het zolang  duurt,  heeft het  geen  zin" zeggen
sommigen. Een zeer kortzichtige houding. Diezelfde lieden hoort
men  ook  wel  zeggen:"Het  gaat  zo  slecht,  nog  slechter is
onmogelijk".  Inmiddels  heeft  iedereen  kunnen  zien  dat het
iedere  keer nog slechter  ging. Het belangrijkste  wat met een
herstructureringspakket   kan  worden  bereikt,  is  dat  wordt
voorkomen  dat  het  nog veel  en  veel slechter  zal  gaan met
Suriname's economie.

Bij  de  samenstelling van  een herstructureringspakket  is het
niet alleen zaak om zodanig te devalueren en andere maatregelen
te  treffen, dat de  corrumperende parallelmarkt verdwijnt. Men
moet  ook de bedrijfseconomische kant  goed in de gaten houden.
Namelijk  ervoor zorgen, dat voor de belangrijkste producten de
kostprijs  (inclusief vaste kosten) lager komt te liggen dan de
opbrenstprijs.  Het blijkt  mogelijk om  er voor  te zorgen dat
onder  andere bauxiet, rijst, bacove  en garnalen weer rendabel
worden.  Voor koffie lijkt dat  niet meer mogelijk. Dat product
lijkt  voorgoed  verloren  voor  Suriname.  Daar  staat  echter
tegenover,  dat  er  na  herstructurering  mogelijkheden zouden
kunnen  ontstaan  voor nieuwe  producten, die  we niet  in onze
berekeningen hebben meegenomen (porseleinaarde en oliepalm?).




                    8.  GEMENEBEST

De  corrumperende  dubbele  wisselkoers,  die  de  economie van
Suriname langzaam maar zeker wurgt en de moraal verloedert, kan
verdwijnen.  In  de  vorige  afleveringen  van  deze  serie  is
aangegeven dat dat kan via een samenhangend pakket maatregelen,
waaronder  het weer op peil brengen van de deviezenvoorraad. De
vraag  is nu wie dat moois  zal betalen, want Suriname heeft te
veel  Surinaamse guldens, maar geen  harde valuta. De ogen zijn
daarom  gericht op Nederland  voor een Monetaire  Unie. Dat zou
een onderdeel kunnen zijn van een intensivering van de relaties
tussen  Nederland  en Suriname.  Aan  welke relaties  kunnen we
daarbij denken?

STATUUT

In  het Statuut dat  van 1954 tot 1975  heeft gegolden waren de
volgende zaken een verantwoordelijkheid voor het Koninkrijk:
-defensie
-buitenlandse betrekkingen
-rechtsorde
-nationaliteit
Daarnaast was er de ontwikkelingssamenwerking, maar die werd na
1975  via een  verdrag voortgezet. Krachtens  dat verdrag heeft
Nederland  geen  verantwoordelijkheid  meer  voor  de  sociaal-
economische  ontwikkeling van  Suriname, maar er  bleef wel een
financile     verplichting     tot     medefinancieren     van
ontwikkelingsprojecten bestaan. Helaas heeft men in de loop van
de  jaren  tachtig  geen  nieuwe  vorm  kunnen  vinden  voor de
medefinanciering   van  zinvolle  projecten.   Intussen  is  de
bestuurlijke  infrastructuur,  die daarvoor  nodig  is, vrijwel
verdwenen.  Verdere is  de monetaire  situatie intussen dermate
verloederd,  dat  er  nauwelijks  zinvol  productieve projecten
kunnen  worden opgestart.  Momenteel is  er daarom  een kwestie
actueel,  die ten tijde van  het Statuut niet speelde, namelijk
monetaire steunverlening, zowel in de vorm van geld als van het
ter beschikking stellen van expertise.

STEEDS NEDERLANDSER

Er  zijn  nog  enkele  verschillen met  vroeger  in  de relatie
Nederland-Suriname.  Het Nederlands  bedrijfsleven, dat vroeger
zo  belangrijk was in Suriname is er grotendeels verdwenen. Een
derde  deel  van  de  oorspronkelijke  Surinamers  woont  nu in
Nederland.  De Surinaamse uitvoer ging in de jaren vijftig voor
tachtig  procent naar  de V.S.,  maar dat  is nu  nog maar 20%,
terwijl  Europa  steeds belangrijker  werd  als handelspartner.
Verder  verdient Suriname tegenwoordig veel Nederlandse guldens
via  het toerisme uit Nederland,  pakkethulp en pensioenen. Ook
de culturele band met Europa is thans sterker dan ten tijde van
het  Statuut en zelfs intensiever  dan in de koloniale tijd.Het
Nederlands  is tegenwoordig niet alleen de officile taal, maar
ook  de meest  gesproken taal thuis.  Vr 1948  werd maar door
weinig  mensen  in Suriname  thuis Nederlands  gesproken. Omdat
bijna alle Surinamers familie in Nederland hebben, is het zelfs
denkbaar,  dat men in Suriname per  hoofd van de bevolking meer
brieven  in het Nederlands schrijft  dan in Nederland zelf. Ook
omgekeerd  is er iets bijzonders:  in de Nederlandse pers waren
er  in de afgelopen twintig jaar  vele periodes, waarin er over
het  kleine Suriname zelfs  meer werd geschreven  dan over alle
andere ontwikkelingslanden tezamen. Verder is vrijwel de gehele
elite  in het Suriname van nu in Nederland opgeleid, terwijl er
bij  de beindiging van de koloniale tijd, in 1954, slechts een
handjevol Surinaamse academici bestond.

In  de  micro sfeer  zijn  de betrekkingen  tussen  Suriname en
Nederland thans intensiever dan in de koloniale tijd. De ergste
post-koloniale  depressies  lijken voorbij.  Nederlanders laten
zich geen schuldgevoel meer aanpraten en Surinamers voelen zich
thans meer verantwoordelijk voor de gang van zaken in hun eigen
land. Dit zou kunnen betekenen dat we aan het ochtendgloren van
een nieuwe tijd staan. De koloniale tijd waarin Nederland zowel
de  verantwoordelijkheid  als de  bevoegdheden, macht  en gezag
over  Suriname had, komt nooit weer terug. Ook het tijdperk van
de   autonomie  met  zijn   hoofdpijnverwekkende  gepraat  over
medeverantwoordelijkheid  voor  Nederland,  zonder  de  daarbij
behorende  bevoegdheden,  macht en  gezag, komt  hopelijk nooit
meer  terug. De tijd lijkt echter  rijp voor nieuwe relaties op
enkele   punten.   De  discussie   over  de   punten  defensie,
buitenlandse  betrekkingen, rechtspraak en nationaliteit zal ik
aan anderen overlaten.

AANLEUNEN

Blijft  over  de  vraag  hoe  het  kleine  Suriname  zou kunnen
aanleunen  tegen het grote  Nederland via steun  op monetair en
financiel-economisch  gebied.  Het  is  daarbij  wel  zaak  de
verhoudingen  in  beeld te  houden.  Het nationaal  inkomen van
Europa bedraagt 3000 miljard ECU, dat van Nederland 170 miljard
ECU,  en van  Suriname ongeveer  0,6 miljard  ECU. (Een  ECU is
ongeveer NF 2,30). Nederland is maar een klein deel van Europa.
Op  monetair  gebied  kan  Nederland  daarom  geen  eigen rente
politiek  volgen.  Als de  Duitse rente  omhoog gaat,  volgt de
Nederlandsche  Bank.  Een  Monetaire Unie  tussen  Nederland en
Suriname,  die in  zou houden dat  Duisenberg de  rente pas mag
verhogen  na verkregen instemming van Goedschalk is ondenkbaar.
Op  monetair  gebied  is  er  geen  samenwerking  op  basis van
gelijkwaardigheid  denkbaar tussen  Nederland en  Suriname. Wel
zou  Nederland financile  ondersteuning (waarover  meer in een
volgende  aflevering  in deze  serie)  kunnen geven.  Dat heeft
overigens alleen zin binnen het kader van een samenhangend
         EUROPA  Nationaal Inkomen 3000 mld ECU
































Nederland

Nationaal
Inkomen

170 mld. ECU

 .     Suriname Nationaal Inkomen 0,6 mld. ECU




 herstructureringspakket.  Als men dat uitvoert, kan het proces
van  economische neergang  worden afgeremd  en na  enkele jaren
omgezet  in groei, zodat  in het begin van  de volgende eeuw de
welvaart van de jaren zeventig weer in zicht zou kunnen komen.

EXPERTISE

Verder  zou  Nederland  ook  expertise  ter  beschikking kunnen
stellen.  Het gaat  daarbij niet alleen  om monetaire kwesties,
maar  om het gehele  terrein van de  economie. Dat is overigens
gemakkelijker gezegd dan uitgevoerd. In de jaren zeventig heeft
de  Nederlandse overheid, overigens  met agrment van Suriname,
talloze    deskundigen   geparachuteerd   in   het   Surinaamse
overheidsapparaat. Verder vlogen in CONS-verband deskundigen af
en   aan.  Dit   gebeurde  uiteraard  allemaal   met  de  beste
bedoelingen, maar wat is Suriname er mee opgeschoten?
De  kwestie  is dat  een  uitgezonden kracht  slechts  goed kan
werken   als  er  voor   zowel  hem  als   voor  zijn  omgeving
duidelijkheid bestaat over zijn positie. Het onderscheid tussen
managen  en adviseren is niet zo eenvoudig, en voor je het weet
doorkruist  een adviseur de verhoudingen.  Dat is dan lang niet
altijd  de  fout  van  de  adviseur.  Die  kan  zich bescheiden
opstellen,  terwijl het  lagere kader toch  zijn adviezen opvat
als  instructies. In de koloniale tijd was er duidelijkheid: de
zout-water  Hollanders waren  de baas, af  en uit.  Die tijd is
definitief  voorbij, maar men  heeft van beide  kanten nog vaak
moeite gehad om aan de nieuwe rol te wennen.
Deze  problemen zouden voor de  toekomst minder kunnen zijn als
men  Surinaamse  Nederlanders,  die  intussen  expertise hebben
opgedaan, in plaats van autochtone Nederlanders als uitgezonden
kracht zou nemen. Men kan daarbij overeenkomen dat het recht op
terugkeer  naar  Nederland blijft  bestaan. Voor  problemen kan
echter de salariring zorgen.
Vroeger verdiende men in Suriname in het algemeen een kwart van
wat  men in Nederland  kon verdienen. De  laatste jaren zijn de
lonen   in  Suriname   weinig  gestegen,   terwijl  de  prijzen
verviervoudigden.  In Suriname verdient men daarom tegenwoordig
slechts  een  tiende van  wat  Nederland te  bieden  heeft. Dat
verschil  zal steeds  groter worden als  de dubbele wisselkoers
blijft     bestaan,    maar    bij     uitvoering    van    een
herstructureringsbeleid  zal  die een  op tien  verhouding niet
verder groeien.
Wanneer   men  Surinaamse  Nederlanders  tegen  een  Nederlands
salaris  naar Suriname uitzendt, zal men wel gegadigden vinden,
maar  het is  zeer de  vraag of  die in  Suriname zullen kunnen
functioneren,  als  ze  tien  keer  zoveel  verdienen  als  hun
Surinaamse  collega's, die  in Suriname  zijn gebleven  en alle
ellende  hebben  meegemaakt.  Anderzijds  is  het  de  vraag of
Surinaams-Nederlandse   experts  uit  Nederland  op  Surinaamse
voorwaarden  naar Suriname zullen willen gaan werken, zelfs als
hun Nederlandse nationaliteit gegarandeerd blijft.
Het  ziet er naar  uit, dat de  mogelijkheden beperkt zijn voor
het  zenden van experts, die goed kunnen functioneren. Wellicht
zijn er toch nog creatieve oplossingen op bescheiden schaal.

SENIOREN

Het gevaar van doorkruisen van bestaande verhoudingen is minder
groot  als  het gaat  om personen  die  tegen hun  pensioen aan
zitten,  of reeds  gepensioneerd zijn.  Zij vormen  immers geen
bedreiging  voor de carrire van  het zittende kader. Bovendien
heeft  de  oudere  garde  van  nu  de  na-oorlogse  wederopbouw
meegemaakt   en  die  ervaring  kan  nu  goed  van  pas  komen.
Daarenboven  beschikken deze lieden vaak over overzicht en zijn
vaak  niet  al te  eng gespecialiseerd,  hetgeen in  het klein-
schalige  Suriname een  voordeel is.  Omdat Nederland bovendien
over het VUT stelsel beschikt, zijn er zoveel seniores, dat men
de  beste kan uitkiezen. Deze oudere garde spreekt zijn moderne
talen soms minder vloeiend dan de jongere garde, maar dat is in
het Surinaamse geval geen probleem. Van groot belang is echter,
dat  de  eerder  genoemde salariskwestie  bij  deze  groep niet
speelt.  Ze houden  gewoon hun VUT  of pensioen,  en hebben dus
geen    salaris    nodig,   maar    slechts    een   bescheiden
onkostenvergoeding.    Op  bescheiden  schaal  zijn  er  met de
uitzending  van gepensioneerde deskundigen in  het kader van de
"PUM"regeling reeds goede ervaringen opgedaan.

Een   andere  mogelijkheid  is  om  Surinaams  kader  te  laten
"bijtanken", stage lopen in Nederland. Anders dan vijftien jaar
geleden,  zijn er thans in  Nederland vele duizenden Surinaamse
deskundigen werkzaam. Zij zijn inmiddels gegroeid in expertise,
maar  zijn de  Surinaamse situatie  niet vergeten.  Deze lieden
zijn  daarom bij uitstek geschikt als stage begeleiders. Als zo
iemand  een maand  of wat  een Surinaamse  jongere begeleidt en
zelf  een uurtje eerder begint, hoeft  zijn gewone werk er niet
onder  te lijden.  Met enige goede  wil is  zoiets mogelijk. De
overheid   zou   daarbij  ondersteunend   kunnen   werken  door
bijvoorbeeld  een kleine  vergoeding voor  de verblijfkosten te
geven,  snel  visa  te verstrekken  en  andere organisatorische
kwesties  te regelen. Overigens  hoeft men hiervoor  niet op de
overheid  te wachten: particulier initiatief werk soms sneller,
efficinter en goedkoper.




                 9.   OP ZOEK NAAR GROEI

Momenteel is er geen groei in Suriname. Is die er eigenlijk wel
ooit geweest? Zo ja, hoe kwam dat dan?
Ons Suriname-model is er niet alleen voor de toekomst, maar ook
voor het verleden. Kennis die verloren lijkt gegaan, kan er mee
worden herondekt.

In  gedachten  verplaatsen  we  ons  naar  het  jaar  1954.  We
gebruiken  alleen informatie over het jaar 1954 en daarvoor, en
voor  de jaren  na 1954  gebruiken we  alleen de  gegevens over
wereldmarktprijzen  en de groei van  de bevolking door geboorte
en  sterfte. In  feite binden we  onszelf even de  handen op de
rug:  we maken  geen gebruik  van de  kennis die  wij anno 1991
hebben  over de jaren 1955  tot en met 1960.  We gaan nu vanuit
1954  een vooruitberekening maken  voor het jaar  1955. Dat kan
met  behulp van  ons Suriname-model.  Vervolgens starten  we op
basis van die uitkomsten met een berekening voor het jaar 1956,
enzovoorts tot in 1960.
Op  het  eerste  gezicht lijkt  het  alsof we  slechts  met een
computerspelletje  bezig zijn.  In dit artikel  hopen we echter
hiermee  een idee te krijgen  hoe in Suriname economische groei
kan worden bereikt! Met behulp van het model houden we namelijk
rekening  met  de  economische samenhangen.  En  anders  dan de
plannenmakers  in 1954 beschikken  wij nu ook  over de gegevens
over de jaren na 1954.

ECONOMISCHE SUCCESSEN

In  de  jaren  vijftig en  begin  jaren zestig,  bestond  er in
Suriname  nog veel belangstelling  voor bedrijfseconomie. In de
tijd  kwam de productie  van tal van  nieuwe producten op gang.
Bacoven,   garnalen   en   spaanplaat  voor   de   export.  Een
melkfabriek,   alcoholfabriek  en  bierbrouwerij  zorgden  voor
importvervanging.  Ook de  bestaande productie  groeide, in het
bijzonder  de rijstproductie. Die verdrievoudigde zelfs. Ook de
suikerproductie  nam  toe.  Verder  verdubbelde  de industrile
productie  van bouwstenen en die van  veevoer nam nog meer toe.
Ook  de rund-  en varkensvleesproductie steeg.  In deze periode
was   er  rele  groei  van  de  investeringen,  zowel  bij  de
bedrijven,  als bij de overheid. Het particuliere aandeel in de
investeringen was hoog, terwijl de overheidsinvesteringen sterk
op    de   direct   productieve   sfeer   waren   gericht.   De
geldhoeveelheid  groeide niet meer  dan de rele  groei van het
binnenlands  product. De productie  groei was arbeidsintensief.
De werkgelegenheid in bedrijven groeide. Dat verschijnsel heeft
zich  in latere  periodes nooit  meer voorgedaan.  De groei was
zelfs  meer dan de natuurlijke  aanwas van de beroepsbevolking.
Ondanks  toename van de deelname  van vrouwen aan beroepsarbeid
en  afwezigheid van  emigratie, bleef de  werkloosheid laag. De
prijsstijging was gering en de koopkracht steeg. De uitvoer was
concurrerend.

HOE HET NIET MOET

We  hebben met het Suriname-model berekend,  wat er in de jaren
1954-1960   zou  zijn   gebeurd  als   de  overheid   toen  een
bestedingsimpuls  zou hebben gegeven. Inkomsten en uitgaven van
de  overheid  worden  dan tegelijkertijd  verhoogd.  Er  is een
ontwikkelingstheorie,  die  daarvan  een gunstig  effect  op de
economische groei verwacht.
We  hebben het volgende  pakket maatregelen doorgerekend: Ieder
jaar  opnieuw van 1955  tot 1960 twee  duizend extra ambtenaren
erbij.  Verder wordt de materiele overheidsconsumptie verhoogd.
Ter financiering worden de indirecte belastingen verhoogd.
Dit  pakket leidt vanwege de toename van de werkgelegenheid bij
de  overheid aanvankelijk tot daling  van de werkloosheid. Door
de  kostenstijgingen  vanwege de  hogere  indirecte belastingen
wordt  het bedrijfsleven echter minder rendabel. Met als gevolg
dat investeringen en werkgelegenheid dalen. Uiteindelijk stijgt
de  werkloosheid  zelfs,  ondanks  de  werkverschaffing  bij de
overheid.  Gelukkig  is dit  pakket  in de  jaren  vijftig niet
uitgevoerd. In die tijd had men nog voldoende besef van het nut
van een rendabel bedrijfsleven.

INDUSTRIE

Ook  in de  eerste helft  van de jaren  zestig was  dat nog het
geval. Toen kwam er een cementfabriek bij, terwijl de productie
van  stenen vervijfvoudigde. Er ontstond toen ook productie van
kartonnen  dozen en zeeppoeder. Verder nam de productie toe van
veevoer,   melk,  boter,  margarine,   lucifers,  bier,  softs,
spijsolie,  sigaretten, verf, schoeisel en kleding. In de jaren
vijftig/zestig kwam er verder productie van plastics, spijkers,
aluminium  ramen en meel.  Verder werd er  in 1959 een drijvend
droogdok   in  werking  gesteld.  De  overheid  stimuleerde  de
kleinindustrie  door  de  bouw van  de  industriehallen  aan de
Saramaccadoorsteek  en  door  de  oprichting  van  de Nationale
Ontwikkelingsbank.  Wanneer  men  aan  buitenstaanders  vertelt
welke   producten  er  zoal  in   het  kleine  Suriname  worden
vervaardigd,  is  men  verbaasd  over  wat  er  is  bereikt. De
successen dateren overigens wel van lang geleden.
De  laatste jaren is  er echter belangstelling  gekomen voor de
"resource  based" industrie. Deze industrie  is gebaseerd op de
natuurlijke   hulpbronnen  van  Suriname   en  heeft  een  lage
importquote.  De industrien worden gelokaliseerd   in de buurt
van  de productie  van de  grondstoffen. Zo  is er  in 1990 een
keramiek  fabriek opgericht in  Para, die gebruik  maakt van de
waterkrachtenergie   van   de  Afobakkastuwdam.   Deze  fabriek
produceert  tegels  voor  de  binnenlandse  markt.  Het  is  de
bedoeling  om de extra productie te exporteren. Het complex kan
later worden uitgebreid met een glas- en zeepfabriek.
Wat  betreft de  importvervangende industrie lijken  er dus nog
enige uitbreidingsmogelijkheden te zijn, maar men moet die niet
ovrschatten.  Suriname produceert al vele artikelen zelf, gelet
op  de zeer kleine binnenlandse markt. Verder is het zo dat bij
vele     importvervangende     industrile     artikelen    een
minimumproductie niveau vereist is. Bij een kleine binnenlandse
markt  is er dan slechts ruimte voor een enkel bedrijf. Bij een
zwak functionerend overheidsapparaat leidt bescherming dan snel
tot  corruptie en  inefficientie. Behalve  de importvervangende
industrie is er echter nog een importvervangende activiteit.

VOEDINGSMIDDELEN

Bij  importvervangende  landbouw  doet  zich  het  probleem van
onvoldoende   concurrentie   veel  minder   voor  dan   bij  de
importvervangende industrie. Aardappels, uien enzovoorts kunnen
immers  door kleine boeren  worden verbouwd. Zonder  dat er een
overheid  voor nodig is, zorgt  het marktmechanisme er dan voor
dat  er  geen overwinsten  worden  behaald, seizoensfluctuaties
daargelaten.
Bij  kleine landen  als Suriname  liggen de  mogelijkheden voor
economisch  verantwoorde importvervanging daarom met name in de
landbouw.  Een  eenvoudig  middel om  deze  zelfwerkzaamheid in
Suriname te bevorderen is het optrekken van de invoerrechten op
voedingsmiddelen  tot het niveau dat  voor luxe goederen geldt.
In   vele  ontwikkelingslanden  bestaat  echter  een  situatie,
waarbij  de  regeringen weinig  letten  op de  belangen  van de
kleine  boeren.  Deze regeringen  steunen  immers veelal  op de
stedelijke,  ambtelijke bevolkingen. Het  blijkt dat landen die
de  strategie voor importvervangende  industrie volgden meestal
niet de gewenste groei realiseerden. Dit geldt in het bijzonder
voor kleine landen.
DE RAMEN OPEN

Hoewel  importvervanging  zeker  gewenst  is  als  het  gaat om
producten  die door  meerdere producenten  worden gemaakt, komt
men  er niet met allerlei  beschermende maatregelen. Zeker voor
kleine  landen met natuurlijke rijkdom  in de vorm van bauxiet,
viswater,  bossen  en  arealen vruchtbaar  land,  geldt  dat de
export  de motor van de economische groei kan zijn. De overheid
moet er dan voor zorgen dat het bedrijfsleven de ramen naar het
buitenland     open     kan     zetten.     Geen    verlammende
vergunningenwinkel,   meervoudige   wisselkoersen   en  nachten
wachten  op een visum.  De wereld is groot  en Suriname is maar
een  dorp. Zowel de  producten als de  mensen moeten gemakelijk
het  land in  een uit kunnen  gaan. Zowel de  Surinaamse als de
Europese  overheid,  waaronder  die van  Nederland,  kunnen een
bijdrage  leveren  aan  de  bestrijding  van  de  inteelt.  Een
herstructureringspakket  met  vaste wisselkoers  en afschaffing
van de importvergunningen en verdwijnen van de visumplicht zijn
daarvoor nodig.




                           10.  WAT, ALS?

"Wat  zou er gebeurd zijn, als   ........(vult u zelf maar in)?
Deze  vraag wordt vaak gesteld, want uit het verleden kunnen we
lessen  trekken voor de  toekomst en het  antwoord vinden op de
vraag:"wat zou er in de toekomst gebeuren, als ....?"
Anders  dan  in de  natuurkunde,  waarbij men  experimenten kan
uitvoeren, staat bij de economie het onderzoek van het verleden
centraal.  Een  macro-model is  eigenlijk  niets anders  dan de
economische  ervaring  van  het  verleden,  opgeslagen  in  een
computer.  Tegenwoordig kan men daarbij  zelfs volstaan met een
eenvoudige  draagbare  computer, zoals  ook wordt  gebruikt bij
tekstverwerken.  Zo'n  computer met  een macro-model  is echter
geen gokautomaat, waar je een gulden in stopt in de hoop dat de
jack  pot er  honderden guldens  uit spuwt.  Een macro-model is
niets anders dan een hulpmiddel bij het denken.
In  de economie  hangt alles  met alles  samen. Zelfs  voor het
beantwoorden  van de meest  eenvoudige vragen, moet  men bij de
beantwoording  aan alles  tegelijk denken.  Zoiets leidt eerder
tot  hoofdpijn,  dan tot  inzicht. Met  een macro-model  op een
computer als hulpmiddel erbij, gaat het een stuk gemakkelijker.
Het  apparaat doet  immers het domme  rekenwerk voor  U, en let
tevens  op de details.  Met het Suriname-model  erbij wordt het
een  stuk gemakkelijker  om vragen over  Suriname's economie te
beantwoorden. Zelfs voor niet-specialisten.

MUZIEK

Denk  aan het bekende  vraagstuk van de  dirigent: Die had twee
violen,  een  goede en  een  slechte, en  twee  muzikanten: een
violist  en een pianist. Aan wie gaf hij de goede viool? Aan de
violist,  zou men denken. Het juiste  antwoord is echter dat de
pianist de goede viool kreeg en de violist de slechte. Want, zo
dacht  de dirigent, een  goede violist moet  ook op een slechte
viool  goede muziek kunnen maken, maar  van een pianist mag men
dat niet verwachten.
Kleine  landen als  Suriname kunnen  geen orkest  van tientalle
sterk  gespecialiseerde  economen  op de  been  brengen  om een
economisch  concert ten gehore te  brengen. Dank zij de moderne
computertechnologie   kunnen  nu echter  ook kleine  landen hun
partij meeblazen wanneer het gaat om de werking van de economie
in beeld te brengen. Voor een klein land is daarvoor een gewoon
macro-model van een groot land niet goed genoeg. Voor een klein
land moet men een macro-model hebben, verfijnd met extra snaren
voor  bauxiet,  rijst, bacove  enz..  Daardoor is  het mogelijk
geworden  om rekening  te houden met  de invloed  van kosten en
opbrengstprijzen op de economische groei en krimp.




EEN VOOR EEN

Met  behulp van het Suriname-model  kunnen we de onderdelen n
voor  n bekijken. Bij voorbeeld, wat  er zal gebeuren als het
invoerprijspeil   10%  hoger   komt  te   liggen.  Of   wat  er
redelijkerwijs   met   de  economie   zal  gebeuren,   als  het
exportprijspeil  10%  hoger komt  te  liggen. Pas  na  die twee
stukjes  apart te  hebben bekeken  - dat  is nog  te behappen -
bezien  we  met het  Suriname-model wat  er gebeurt,  als beide
onderdelen  tegelijk  plaats  vinden.  Als  zowel  invoer-  als
uitvoerprijzen  stijgen, heeft  men een devaluatie!  Zo kan men
steeds  verder gaan. Eerst de  voorstellen, die van alle kanten
worden  aangedragen,  op onderdelen  uit elkaar  schroeven. Het
model gebruiken als een hulpmiddel om goed voor ogen te krijgen
wat  het  effect op  de economie  is. Pas  daarna verschillende
onderdelen  in verschillende delen zo  in elkaar schroeven, dat
het  totaal effect economisch herstel oplevert. Het aardige van
economiebeoefening   is,  dat   op  die   manier  iedereen  kan
meedenken.  In feite is iedere Surinamer Suriname-deskundige op
een  bepaald gebied van de economie. Zo weet een rijstboer veel
meer  van de investeringsbeslissing in  de rijsverbouw, dan een
macro-econoom. Een geldwisselaartje, dat dagelijks actief is op
"Wallstreet"  kent meer van de praktijken van de parallelmarkt.
De taak van de macro-econoom is slechts de samenhangen in beeld
te brengen. Bij wijze van voorbeeld bezien we een devaluatie op
onderdelen.

DEVALUATIE

We  bekijken eerst wat  er gebeurt als  Suriname geluk heeft en
het  exportprijspeil 10 % hoger  ligt, terwijl er niets gebeurt
met  de invoerprijzen. We hebben de effecten van zo'n meevaller
zes  keer  becijferd, namelijk  apart  voor vier  periodes vr
1983,  de  periode 1983-1987  en de  periode 1987-2001.  Als de
wereldmarktprijzen voor de Surinaamse exportproducten 10% hoger
komen  te liggen,  stijgen in  alle gevallen  ook de Surinaamse
exportprijzen.  Dit heeft diverse  gevolgen. De winsten stijgen
en  vervolgens de consumptieve  bestedingen. De overheid krijgt
meer  inkomsten  uit  winstbelasting.  De  winstgevender export
maakt  uitbreidingsinvesteringen rendabel, althans  in de jaren
voor  1983. Door de hogere  investeringen en consumptieve vraag
neemt  de werkgelegenheid toe. Vervolgens  stijgen de lonen. De
koopkracht  neemt  toe. Vanwege  vertragingen  is er  de eerste
jaren  een verbetering  van de  betalingsbalans. Dat  ebt later
weg,  maar  per  saldo  is  er  toch  een  verbetering  van  de
deviezenvoorraad.    In    de   jaren    na   1985    zijn   de
prijskostenverhoudingen   in  de  export  zo  slecht,  dat  een
verbetering  van de exportprijzen met  10% onvoldoende is om de
export  weer  winstgevend  te  maken.  Een  verbetering  van de
exportprijzen  met  10%  leidt  dan  niet  tot  toename  van de
hoeveelheid uitgevoerde goederen.



Nu  bezien we, wat er zou gebeuren als de invoerprijzen met 10%
zouden  stijgen, terwijl het  exportprijspeil onberoerd blijft.
Dit  heeft vrijwel de tegenovergestelde effecten van de zojuist
besproken    stijging   van   de   exportprijzen.   De   hogere
invoerprijzen  leiden tot  hogere consumptieprijzen.  Dit leidt
tot  lagere koopkracht.  Door de  hogere invoerkosten  dalen de
winsten  in  de  exportsector,  want het  is  niet  mogelijk de
kostenstijging door te berekenen in de exportprijzen. De lagere
prijskostenverhouding  leidt tot minder investeringen. Hierdoor
en   door   de  dalende   consumptieve  vraag,   vermindert  de
werkgelegenheid.  Er ontstaat een tekort op de lopende rekening
en de deviezenvoorraad neemt af.
Een  verhoging  van  het  invoerprijspeil  heeft  dus negatieve
gevolgen  voor  de  economie.  In  de  jaren  na  1985  zijn de
prijskostenverhoudingen  echter  al  zo laag,  dat  er  toch al
nauwelijks investeringen plaats vinden.

TIEN + TIEN = NUL?

Een devaluatie van tien procent is in feite niets anders dan de
som  van  een exportprijsstijging  van  tien procent,  plus een
invoerprijsstijging   met   hetzelfde   percentage.   Bij   een
devaluatie  worden in het algemeen de positieve effecten van en
verhoging   van  de   exportprijzen  geneutraliseerd   door  de
negatieve effecten van de hogere invoerprijzen. Tot begin jaren
tachtig  zou  een devaluatie  een klein  positief effect  op de
economische  groei hebben gehad, mits de inflatie niet volledig
zou  zijn doorberekend in  de lonen. Sinds  begin jaren tachtig
zijn de prijskostenverhoudingen in de exportsector zo laag, dat
een  devaluatie  van  tien procent  niet  helpt om  ze  weer op
winstgevend  niveau  te krijgen.  Daar  komt meer  voor kijken.
Herstel  van de  winstgevendheid in  de exportsector  vergt een
devaluatie   van   300%   plus  nog   een   aantal  maatregelen
tegelijkertijd.  Die moeten ervoor  zorgen dat de parallelmarkt
verdwijnt, zodat koopkrachtverlies voor de werknemers gemiddeld
wordt voorkomen, zodat de lonen niet hoeven te worden verhoogd.
Het   omzetten   van  de   verliessituatie  voor   het  normale
bedrijfsleven  in een winstsituatie  wordt dan mogelijk dankzij
het wegvallen van de parallelmarktwinsten.

HOGERE INVOERRECHTEN

Een   verhoging  van   de  invoerrechten   maakt  gemporteerde
producten  duurder,  zodat  Surinaams fabrikaat  in  een betere
concurrentiepositie  komt te verkeren op de binnenlandse markt.
Het  probleem  is  echter dat  er  nog meer  gevolgen  zijn. De
consumptieprijzen stijgen, en dan mag men ook hogere loonkosten
verwachten.  De invoerkosten voor de exportbedrijven nemen toe,
hetgeen  een  ongunstig  effect  op  de prijskostenverhoudingen
heeft.   Dat  is   schadelijk  voor  de   investeringen  en  de
economische  groei.  De  berekeningen  met  het  Suriname model
wijzen  dus op ongunstige gevolgen  voor een algemene verhoging
van  de  invoerrechten, los  van  andere maatregelen,  zoals de
aanwending   van  de   opbrengst  van   de  invoerrechten  voor
productieve  uitgaven of vermindering  van het overheidstekort,
in plaats van overheidsconsumptie.
Een  bijzondere variant is het  aanbrengen van veranderingen in
de  diverse  invoerrechten, zodanig  dat het  gemiddelde tarief
gelijk blijft. Men zou namelijk het invoerrecht op goederen die
in  Suriname kunnen  worden gemaakt, zoals  aardappels, uien en
zoutvlees, op kunnen trekken naar het niveau van luxe goederen.
De  eerder genoemde negatieve gevolgen  van een macro verhoging
van  de invoerrechten  doen zich dan  niet voor,  terwijl er op
micro  niveau gunstige effecten op productie en werkgelegenheid
zullen optreden.

VERBETERING INFRASTRUCTUUR RIJSTVERBOUW

We hebben met het Suriname-model ook becijferd, wat er zou zijn
gebeurd    als   de   overheid   een   groter   deel   van   de
ontwikkelingsmiddelen  zou  hebben  bestemd  voor  iets anders.
Namelijk     voor    verbetering    van    de    infrastructuur
(irrigatiewerken,  toevoerwegen) voor de  verbouw van rijst, in
plaats van consumptieve bestedingen. Dat zou een gunstig effect
op  de economische groei hebben gehad. Althans in de jaren vr
1985.  Een goede infrastructuur is niet voldoende. Een rendabel
prijskostenniveau   is  eveneens  nodig.  Dat  is  sedert  1985
afwezig. Verbetering van infrastructuur is daarom op dit moment
niets  anders dan het  dragen van water naar  de zee. Dat heeft
pas zin als tevens een monetaire gezond making plaats vindt.

PAKKETTEN

Nu  wordt het even  ingewikkeld. Een pakket  is een verzameling
maatregelen, die tegelijk worden uitgevoerd. Gelukkig hebben we
het  Suriname-model,  waarmee we  handig alles  tegelijk kunnen
uitrekenen.
Wat zou er zijn gebeurd als men in 1968 bij het gereedkomen van
de  Brokopondopush  de  bauxietlevy  zou  hebben  ingevoerd, in
plaats  van pas in 1974?  De lonen in de  bauxiet zouden dan in
1975  minder zijn gestegen en daarmee  het loonpeil in het hele
land. Stel dat de overheid de opbrengst van die bauxietlevy zou
hebben  gebruikt  om  de  indirecte  belastingen  te  verlagen.
Uitvoering   van  dit  pakket  zou  slechts  een  paar  procent
koopkracht  hebben gekost,  maar de werkgelegenheid  zou er met
negen procent door zijn gestegen.

Wat   zou  er  zijn  gebeurd  als   de  overheid  in  1984  een
bezuinigingsbeleid   zou  hebben  gevoerd   in  plaats  van  de
importcontingentering  in  te  voeren? Dit  pakket  behelst een
verhoging  van  de  directe  belasting  in  combinatie  met een
beperking  van  de  overheidsconsumptie en  een  devaluatie van
110%.  Verder een bevriezing van de lonen, met subsidiering van
de  rijstprijs voor de  consument en verhoging  van de AOV. Als
dit   pakket  zou   zijn  uitgevoerd   in  1984   zou  er  geen
parallelmarkt  zijn ontstaan.  De koopkracht  van de werknemers
zou   in  1984  en   1985  veel  meer   zijn  gedaald,  dan  in
werkelijkheid  het geval  was. In  1986 en  1987 zou  er echter
herstel  hebben gevolgd. Het consumptiepeil zou dan in 1987 het
dubbele  hebben bedragen  van wat  het in  werkelijkheid in dat
jaar  was, terwijl de werkgelegenheid er tien procent beter zou
hebben uit gezien. Dat gunstig resultaat zou dan te danken zijn
geweest  aan  het  herstel van  de  prijskostenverhoudingen. De
berekeningen  met  het Suriname-model  wijzen  dus uit,  dat de
huidige   sociaal-economische   ellende   had   kunnen   worden
voorkomen, als er in 1984 een gezond economisch beleid zou zijn
gevoerd.

VOORSPEL

De  bovenstaande  nabootsingen  vormden  het  voorspel  voor de
samenstelling  van het  'herstuctureringspakket 1991', waarover
in andere afleveringen meer.



            11. TOEKOMST SURINAME'S ECONOMIE

Als    de   regering    niets   doet    zal   het   voortgaande
financieringstekort  en de daardoor groeiende parallelmarkt als
een   kankergezwel   voor   verdere   sociale   en  economische
verloedering  zorgen. Zo  erg dat die  met een  model niet eens
goed valt vooruit te berekenen.
Er zijn echter nog twee alternatieven. De regering kan proberen
de  parallelmarkt onder controle te krijgen, zoals door Coopers
&  Lybrand is  voorgesteld. De volgende,  derde mogelijkheid is
een compleet herstructureringspakket, waardoor de parallelmarkt
verdwijnt.   Die  derde  mogelijkheid   zal  in  het  volgende,
twaalfde,  en  tevens laatste,  artikel  van deze  serie worden
besproken.  In deze bijdrage schenken we aandacht aan de eerste
twee  beleidsmogelijkheden. Daarbij gebruiken  we ons Suriname-
model als hulpmiddel.

VOORUITBEREKENING ACHTERAF

Omdat  statistieken altijd wat ten  achter lopen, hebben we ons
model   eerst  gebruikt   om,  startend   met  de  statistieken
betreffende  de jaren  tot en  met 1987  een "vooruitberekening
achteraf"  te maken  voor de  jaren 1988  tot en  met 1990. Die
berekening  dateert alweer van ruim  een jaar geleden. Intussen
is  er  statistische  informatie  beschikbaar  gekomen  over de
voorafgaande  jaren. Daaruit blijkt dat onze "vooruitberekening
achteraf" aardig klopt met wat inmiddels bekend is geworden. De
lonen zijn inderdaad minder dan tien procent per jaar gestegen,
terwijl   de   gemiddelde  prijsstijging   (dus   inclusief  de
parallelmarkt)   in  de   dubbele  cijfers   liep.  Het  aantal
arbeidsplaatsen  is  volgens  het  model  gedaald,  terwijl  de
werkloosheid steeg. Dat klopt met berichten die we uit Suriname
ontvangen.  De export  van rijst  zou volgens  het model gelijk
zijn  gebleven,  terwijl  die  in  werkelijkheid  halveerde. De
prijskostenverhouding  in  de rijst  is kennelijk  enkele jaren
geleden  reeds in de rode  cijfers gekomen. Het model berekende
een  verdubbeling van de koers  op de parallelmarkt tussen 1987
en  1990.  Dat vond  ook in  werkelijkheid plaats.  Dat laatste
berust  grotendeels  op toeval.  We  geloven namelijk  niet dat
modellen  geschikt zijn voor wisselkoersprognoses. Dankzij deze
"vooruitberekening  achteraf" beschikken we over het economisch
plaatje van Suriname anno 1991. Dat gebruiken we als start voor
vooruitberekeningen voor de komende jaren. (1)

NIETS DOEN

We  hebben het Suriname model gebruikt  om te becijferen wat er
zou gebeuren als de overheid niets doet. Dus bij voortduren van
het     financieringstekort.    Verder    veronderstelden    we
gelijkblijvende  parallel ("EA")-import  in Nederlandse guldens
gemeten,  gelijkblijvende  hoeveelheid van  de uitvoer,  en een
loonstijging van gemiddeld slechts twee procent per jaar. Onder
deze veronderstellingen laat het model een stijging zien van de
parallelmarktkoers,  die vorig jaar  nog op een  op tien stond,
naar  een  op  veertig  in  1994.  Verder  stijgen  de  prijzen
gemiddeld met vijftien procent per jaar, en daalt de koopkracht
met  hetzelfde  percentage.  Onder  die  omstandigheden  is een
loonstijging  van een paar  procent echter niet waarschijnlijk.
Vermoedelijk  gaan  de lonen  dan  stijgen conform  de prijzen,
vervolgens  stijgen  de  prijzen  vanwege  de  toename  van  de
loonkosten.  Dit  haasje-over  zal  waarschijnlijk  eindigen in
djompo-foetoe.   De  spelregels  daarvan  zitten  niet  in  ons
Suriname model, dus dat valt niet vooruit te berekenen. Met een
vrijwel verdwijnen van de export van rijst en dergelijke en een
parallelmarktkoers  van meer dan  een op veertig  in 1994, moet
men  dan wel rekening houden. Wat  er dan sociaal en economisch
gaat  gebeuren  valt  met  een economisch  model  niet  meer te
berekenen.

REFERENTIEPAKKET

Er bestaat echter een minder somber scenario. Dat veronderstelt
dat  de ontwikkelingsactiviteiten snel op gang komen. In enkele
jaren   tijd  zou   in  dit   scenario  de   besteding  van  de
ontwikkelingsmiddelen  weer  op het  peil  van twee  honderd en
twintig  miljoen Nederlandse guldens per  jaar komen te liggen.
Bovendien wordt, zo veronderstellen we in dit scenario, de hulp
voor  meer dan de  helft voor de  ondersteuning van productieve
investeringen  gebruikt.  De  EA-middelen nemen  toe,  zo wordt
verondersteld,  omdat Surinaamse  bejaarden uit  het buitenland
zich  in  Suriname  gaan vestigen.  De  werkgelegenheid  bij de
overheid  groeit met slechts vijf honderd personen per jaar. De
belastinginning wordt verbeterd. Voor de export van rijst geldt
een "retentieregeling", waarbij de rijstboeren een deel van hun
harde  valuta zelf mogen  houden. De overheidsconsumptie stijgt
niet meer dan de prijsstijging. Verder wordt verondersteld, dat
het  mogelijk is  door het  plaatsen van  obligatieleningen een
deel  van de overliquiditeit uit de  markt te nemen. Het tarief
van  de invoerrechten wordt verhoogd  via een verhoging van het
"statistiekrecht" met twee procent.
  Onder  deze veronderstellingen  geeft het  Suriname-model als
uitkomst  een stabilisatie  van de  koopkracht en  groei van de
exporthoeveelheid.  Deze berekening  heb ik  echter begin vorig
jaar  uitgevoerd  en  sindsdien is  duidelijk  geworden  dat de
prijskostenverhouding  in  de rijst  al in  de rode  cijfers is
gekomen.   De  uitkomst  is  dus   wat  betreft  de  export  te
optimistisch.  De modelbecijfering  geeft verder  als resultaat
een  vrijwel gelijkblijvende werkgelegenheid  bij de bedrijven,
terwijl  de werkloosheid de  komende jaren op  het huidige hoge
niveau  zou blijven staan. Het  normale bedrijfsleven ziet zijn
prijskostenverhouding  in het algemeen  niet op rendabel niveau
komen,  zodat  de  bedrijfsinvesteringen  op  het  huidige lage
niveau  blijven staan. De profiteurs  van de parallelmarkt zien
hun  inkomen echter  flink stijgen,  want de parallelmarktkoers
(een op tien in 1990) stijgt naar een op zeventien in 1994.
  Dit     referentiepad     leidt     dus     ondanks     forse
ontwikkelingsmiddelen,  die bovendien  geacht worden productief
te worden aangewend, niet tot economisch herstel. Verder blijft
hyperinflatie  op de loer liggen,  want de loonmatiging beneden
het  inflatietempo  berust  slechts  op  een  veronderstelling,
terwijl de parallelmarktkoersraming met risico's is omgeven. De
stijging  ervan zou mee kunnen  vallen, maar als het vertrouwen
in  Suriname's economie op langere termijn zou verdwijnen, moet
rekening  worden  gehouden met  een  veel hogere  koers  dan de
becijferde een op zeventien.

ADJUSTMENTPAKKET

De  EG  heeft aan  Suriname  een team  van  Coopers&Lybrand ter
beschikking  gesteld om een aanpassingsprogramma op te stellen.
Dat  team heeft vorig jaar  een indrukwekkende hoeveelheid werk
verzet en een uitvoerig conceptrapport geschreven, dat december
vorig  jaar gereed kwam. De belangrijkste aanbevelingen van het
rapport zijn:
1) Ordenen van de parallelmarkt. Die wordt van "Wall Street" op
de centrale markt verplaatst naar de kantoren van de banken.
2)  Extra ontwikkelingsmiddelen ter waarde  van twee honderd en
vijftig miljoen Nederlandse guldens.
3) Bevorderen van de export door financiele prikkels.
4) Beperking kredietverlening en elimineren van een deel van de
overliquiditeit via obligatieleningen en privatisering.
5) Verhoging invoerrechten.

 C&L  heeft de resultaten van dit adjustmentpakket berekend met
een   'consistentiemodel'.  Dat  is  in  feite  een  aangekleed
boekhoudprogramma,  dus zonder modellering  van het producenten
gedrag.  Het  is  dan  oppassen  met  de  uitkomst  betreffende
productie,  investeringen  en  export. C&L  laten  het volgende
resultaat   zien.   De  inflatie   verdwijnt   grotendeels.  De
parallelmarktkoers   blijft  nagenoeg  op  het  huidige  niveau
hangen.   Het   overheidstekort   verdwijnt   geleidelijk.   De
geldhoeveelheid blijft nagenoeg gelijk en de export stijgt.
  Macro-economisch  bezien  komt het  adjustmentpakket  van C&L
nagenoeg    overeen   met   het   referentiepakket.   Bij   een
overeenkomstig  pakket maatregelen becijferen wij echter andere
uitkomsten. In het bijzonder betreft dat de parallelmarktkoers.
Daarvan  verwachten wij bij zo'n pakket een toename naar een op
zeventien,  met daarbij overigens  de nodige slagen  om de arm.
C&L  verwachten een stabilisatie. Nadere bestudering leert, dat
dat  komt, omdat  C&L de  verandering in  de parallelmarktkoers
verklaart  uit de verandering in  de geldhoeveelheid. C&L neemt
de   gemiddelde   liquiditeitsquote  als   referentiepunt.  Wij
hanteren  daarentegen  die quote  uit  de jaren  vr  1984 als
uitgangspunt.  Zolang de  verhouding tussen  geldhoeveelheid en
nationaal  product hoger is dan in  de jaren vijftig tot en met
begin   jaren   tachtig,   zal  daarvan   een   impuls   op  de
parallelmarktkoers uit blijven gaan. Ik wens Suriname van harte
toe  dat C&L gelijk krijgen.  Zoals gezegd, valt de wisselkoers
niet  goed te  voorspellen. Zelf was  ik begin  vorig jaar niet
tevreden over het referentiepakket (en nu dus ook niet over het
adjustmentpakket). Ik ben toen begonnen met het zoeken naar een
pakket   dat  veel   verder  gaat.  Namelijk   n  waarbij  de
corrumperende  parallelmarkt  wordt  uitgedreven  en  een vaste
wisselkoers  ontstaat  (2). Over  dat "herstructureringspakket"
zal de volgende, twaalfde en laatste, aflevering van deze serie
gaan.  Hier volstaan we met  de constatering dat uitvoering van
het referentie/adjustement pakket altijd nog beter is dan niets
doen.  Het verdient aanbeveling als  men zich (nog?) niet sterk
genoeg    voelt   voor   de   uitvoering   van   een   compleet
herstructureringspakket.  Overigens bevat  het rapport  van C&L
behalve  de genoemde maatregelen  nog tal van behartenswaardige
analyses  en  aanbevelingen, in  het  bijzonder wat  betreft de
verbetering van de efficientie bij de overheid.

------------------
1)  Zie bladzijde 209-216  van "Een Macro-model  van een Micro-
economie" en blz. 251-259 van "Micromacrodataset".

2)  "..fixed exchange rate regimes  ... appear to be associated
with  negligeble  persistence  of inflation,  while  regimes of
managed   exchange   rates  are   associated  with   very  high
persistence   of  inflation."         G.S.  Alogoskouflis  CEPR
Discussionpaper  no  503,  London,  Januari,1991.  Zie  ook  P.
Agnor:"Parallel  Currency  Markets  in  Developing countries".
IMF, December 1990.



               12.  ACHTER DE WOLKEN SCHIJNT DE ZON


Economisch  herstel  is  mogelijk  via  een  intern  en  extern
gesteund herstelpakket.
Het proces van sterke sociaal-economische neergang van Suriname
zal  bij  ongewijzigd beleid  gestaag door  gaan. Er  zijn door
velen  talloze  voorstellen  ter  verbetering  aangedragen. Met
behulp  van een macro-economisch instrumentarium, het Suriname-
model,   kunnen  deze  voorstellen   worden  samengesmeed.  Het
Suriname-model is speciaal voor Suriname ontworpen en uitgetest
op de economische ontwikkeling van de afgelopen dertig jaar. De
effecten   van  een   compleet  herstructureringspakket  kunnen
daarmee  in  beeld  worden gebracht.  Het  blijkt  mogelijk het
proces van economische neergang af te remmen en na enkele jaren
om te buigen tot groei, zodat in het begin van de volgende eeuw
de  welvaart van  de jaren  zeventig weer  in zicht  zou kunnen
komen.

HERSTRUCTURERINGSPAKKET

In  de vorige afleveringen van deze serie zijn vele aspecten de
revue  gepasseerd. In  deze twaalfde en  laatste aflevering van
deze serie smeden we die aaneen.

       AANDACHTSPUNTEN:

       1) Financieringstekort nul
       2) Parallelmarkt weg
       3) Prijskostenverhoudingen weer rendabel
       4) Koopkracht laagste inkomen (AOV) beschermd
       4) Geen shocktherapie, wel gelijktijdigheid

Waar  moeten we in het bijzonder op letten? In de eerste plaats
dient    de    bron   van    de   economische    ellende,   het
financieringstekort  van  de  overheid,  te  verdwijnen. Anders
blijft   het  dweilen  met  de  kraan  open.  Verder  dient  de
parallelmarkt  te verdwijnen,  want daardoor  wordt het normale
bedrijfsleven   langzaam   maar  zeker   gewurgd,   terwijl  de
profiteurs van de parallelmarkt in het geld zwemmen. Het pakket
maatregelen  dient  verder zo  te  zijn, dat  tegelijk  met het
verdwijnen   van   financieringstekort  en   parallelmarkt,  de
prijskostenverhoudingen in de export weer op winstgevend niveau
komen.  Tegelijkertijd dient er voor  te worden gezorgd, dat de
koopkracht  van de armsten, de bejaarden, verbetert, terwijl de
koopkracht van de werknemers gemiddeld niet achteruit gaat. Dat
laatste  is zowel  om sociale redenen  nodig, als  om ervoor te
zorgen  dat er een voldoende  maatschappelijk draagvlak is voor
bevriezen van de lonen. Er moeten daarom een aantal maatregelen
gelijktijdig worden genomen. Dat kan niet geleidelijk. Denk aan
het  voorstel begin jaren zeventig om over te stappen van links
op  rechts verkeer: het eerste jaar  de vrachtwagens, en pas in
het tweede jaar ook de personenauto's.

Het herstelpakket bestaat uit vele maatregelen (1). Daarvan
staan de zeven belangrijkste in onderstaand kader:

       MAATREGELEN:

       1) Verviervoudiging AOV, AKB, Onderstanden,
          tijdelijk voedselpakketten en rijstsubsidies
       2) Devaluatie van 300%, dus koers naar 1Nf=4Sf
       3) Aanpassing invoerrechten (aardappels,uien)
       4) Geen ontslagen, wel personeelstop overheid
       5) Ontwikkelingsinvesteringen snel naar Nf 220
          mln. per jaar
       6) Bevriezen overtollige geldhoeveelheid
          (Lieftinck) en/of overstappen op Nf
          (Ferrier), met Nf 400 mln. deviezensteun
          (niet voor overheidsuitgaven bestemd)
       7) loonmatiging mogelijk door koopkrachtbehoud

Behalve  deze  zeven zijn  er  nog enkele  kleinere maatregelen
zoals   aanpassen  van   de  winstbelasting,   beperking  groei
overheidsconsumptie,    aanpassing    indirecte    belastingen,
verhoging  tarief  inkomstenbelasting,  en  een  aantal  andere
matregelen  die in  de vorige  aflevering reeds  zijn besproken
onder  het "referentiepakket". De belangrijkste daarvan zijn de
snelle  opvoering van de  ontwikkelingsinvesteringen tot Nf 220
miljoen per jaar en wel grotendeels in productieve richting.

De  monetaire maatregelen  vormen een  belangrijk onderdeel van
het  pakket. Ze zijn gericht op het terugkeren naar en situatie
van een vaste wisselkoers. In feite komt het neer op terugkeren
naar  het monetaire regiem,  zoals dat tot  begin jaren tachtig
uitstekend   heeft  gewerkt.  Eventueel   kan  men  dan  meteen
overstappen   op  de  Nederlandse  gulden   in  plaats  van  de
Amerikaanse  dollar. Een  verdere stap  zou zijn  de Surinaamse
munt  te  vervangen  door  de  Nederlandse  munt.  Dat  was  de
monetaire   situatie  zoals   die  van   1828  tot   1940  naar
tevredenheid heeft gewerkt (plan Ferrier). Waarom moeilijk doen
met allerlei verschillende retentieregelingen en wisselkoersen,
die  bovendien ook nog  zweven? Gewoon terug  naar een toestand
die succesvol is gebleken, in plaats van moeilijk blijven doen.
Een onderdeel van het pakket betreft maatregelen gericht op het
elimineren  van het teveel aan geld.  Ik heb daarvoor reeds een
aantal suggesties gegeven. Daar houd ik het voorlopig bij, want
voor  dit soort  maatregelen geldt,  dat je  er niet  over moet
praten,   maar  ze  plotseling  uit  moet  voeren.  Dit  om  de
speculanten te verrassen.
In  Nederland  is de  kennis  over de  oplossing  van monetaire
vraagstukken langzamerhand aan het verdwijnen. Uiteraard heb ik
gebruik  kunnen  maken van  de  literatuur over  de na-oorlogse
monetaire  sanering  in  Duitsland  en  Nederland  (Lieftinck).
Suriname  zou echter zijn voordeel kunnen doen met de expertise
van  economen  die zelf  die tijd  hebben meegemaakt.  Zij zijn
intussen  met pensioen,  maar wellicht bereid  om hun expertise
ten  dienste  van  Suriname  te  stellen.  Te  denken  valt aan
eminences grises als de professoren Bosman en Van Philips.

ACHTER DE WOLKEN SCHIJNT DE ZON

Mijn  bijdrage is beperkt tot het "herstructureringspakket" dat
slechts   ter  illustratie  van   het  Suriname-model  in  mijn
proefschrift  is  opgenomen. Onder  de aantekening,  dat nadere
precisering  gewenst is  (recente data ABS,  kengetallen SPS en
CBvS)  en de  uitwerking van de  monetaire uitvoering praktisch
bekeken, volgen hier de resultaten:
       RESULTAAT HERSTRUCTURERINGSPAKKET:

       1) Financieringstekort weg
       2) Parallelmarkt verdwenen
       3) Normale bedrijfsleven winst i.p.v. verlies
       4) Gemiddelde koopkracht werknemers gelijk
       5) Profiteurs parallelmarkt betalen de rekening

Financieringstekort  en  parallelmarkt verdwijnen,  het normale
bedrijfsleven  gaat  weer  winst maken,  de  koopkracht  van de
bejaarden  stijgt,  en die  van  de werknemers  daalt gemiddeld
genomen  niet, terwijl  de profiteurs  van de  parallelmarkt de
rekening  betalen: hun  winsten verdwijnen  als sneeuw  voor de
zon.   Dit   resultaat   maakt   ook   duidelijk,   waarom  dit
herstructureringspakket  maatschappelijk uitvoerbaar mag worden
geacht: de koopkracht van de werknemers blijft immers gemiddeld
gelijk,  ondanks bevriezing van de  lonen. Aangezien het pakket
verder  uitzicht  geeft op  het verdwijnen  van het  proces van
sociaal-economische  achteruitgang, mag  dan steun  van sociale
partners  worden verwacht. Verder mag  voor zo'n operatie steun
worden verwacht van de instantie die zich in 1975 verdragsmatig
heeft  verplicht steun te geven voor  de opbouw van de economie
van Suriname: de Nederlandse regering.
  Overigens  moet  bij  de  genoemde  lichte  stijging  van  de
gemiddelde  koopkracht van  werknemers worden  aangetekend, dat
die  van personen  die thans relatief  veel kunnen  kopen op de
officiele markt zal dalen, terwijl die van werknemers die thans
veel  op de  parallelmarkt moeten  kopen hun  koopkracht zullen
zien   stijgen.  Het   is  gewenst   om  via   een  snel  mini-
budgetonderzoek  dit soort verschillen in beeld te krijgen. Tot
op zekere hoogte kunnen dan compenserende koopkrachtmaatregelen
worden  getroffen. Overigens moet men zich daar niet teveel van
voorstellen.   Als  men   de  dubbele   wisselkoers  wil  laten
verdwijnen,  zal men ook de daaruit voortspruitende verschillen
laten verdwijnen.

       KANTTEKENING:

       Snel mini-budgetonderzoek door ABS nodig
       Nader monetair advies gewenst
       Preciesere berekeningen door SPS nodig
       Discussies met sociale partners

Kortom  de toestand in Suriname  verslechtert steeds meer, maar
is  nog niet geheel  hopeloos: acher de  wolken schijnt de zon.
Dankzij  het feit  dat Suriname geen  grote buitenlandse schuld
kent  en bovendien recht heeft  op omvangrijke verdragshulp uit
Nederland,  is voor Suriname iets  mogelijk, dat voor de meeste
andere  problematische landen niet is weggelegd: uitvoering van
een   herstructureringspakket,  dat   voor  de   werknemers  in
totaliteit zelfs enig koopkrachtvoordeel met zich brengt.

Met  dit bescheiden optimistisch  geluid zijn we  aan het einde
van  deze artikelenserie  gekomen. In  zo'n artikelenserie moet
men  steeds kort  zijn en dat  kan ten koste  van de nuancering
gaan.  Wie  meer  wil weten  kan  echter putten  uit  een rijke
literatuur.   In   mijn   proefschrift   en   de   bijbehorende
Micromacrodataset,  staat een lijst van driehonderd publicaties
over Suriname's economie plus twee honderd over economie in het
algemeen.  Behalve  deze wetenschappelijke  en  vaak technische
literatuur  is  ook de  mening  en informatie  van  de "gewone"
Surinamer  van belang. De hele  economie is immers niets anders
dan het geheel van het economisch handelen van alle Surinamers,
werknemers,   boeren,  ambtenaren,   fabrikanten,  bankiers  en
consumenten.  Zij zijn de echte Suriname deskundigen. Het woord
is nu aan hen.

dr. Marein van Schaaijk, Scheveningen april 1991.

-----------
1)  Zie voor het  complete herstructureringspakket blz. 259-263
van "Een Macro-model van een Micro-economie".
