              KLEINE LANDEN CONFERENTIE in MALTA

          (eerder verschenen in de Weekkrant Suriname
                     van 13/19 juni 1991)

Van  de Azoren tot uit Taiwan  waren de deelnemers gekomen voor
de  conferentie die  eind mei  in Malta  werd gehouden  over de
economie van kleine landen.
  Dr.  A.  Caram  hield  er  een  inleiding  over  de monetaire
problematiek  en  presenteerde  er  een  acht  puntenplan  voor
Suriname, waaronder:
-  Er moet een macro-economisch  raamwerk komen. Dr. Caram wees
er  daarbij op dat zulks in het Surinaamse geval beter mogelijk
is,  omdat het land sinds kort beschikt over het Suriname-model
(1),   terwijl  enkele  medewerkers  van  SPS,  ABS  en  AdeKom
Universiteit  in april/mei van dit  jaar in een stagecursus van
vier  weken  zich reeds  in het  werken met  het Suriname-model
hebben kunnen bekwamen.
-  Het overheidstekort  moet verdwijnen.  Dat kan  onder andere
door verbeterde belastinginning.
-  De overliquiditeit  moet worden  afgeroomd. Daarvoor bestaan
verschillende  opties, waaronder binnen het kader van een crash
programma   de   verkoop  van   land  en   staatsbedrijven  aan
particulieren door de overheid.
-  Door het  weer attractief  maken van  het sociaal-economisch
klimaat  kunnen  investeringen,  productie  en  export groeien.
(Oftewel de prijskostenquotes moeten weer op winstgevend niveau
komen).
-    Verder    moeten    de    lonen    stijgen    conform   de
arbeidsproductiviteit.   De   parallelle   zwarte   markt  moet
verdwijnen.  Dat betekent dat  een devaluatie onontkoombaar is.
Een  sociaal  programma  moet  de  zwakkeren  beschermen  en de
relatie met de donoren moet worden genormaliseerd en versterkt.

Prof.  Streeten concludeerde  in zijn inleiding  op deze tweede
Kleine  Landen Conferentie  in vijf  jaar, dat  de ervaring met
regionale economische integratie teleurstellend is. De Europese
Gemeenschap   is   volgens  hem   wellicht  de   enige  recente
succesvolle  poging. Op mijn  vraag of de  kleine landen er dan
wellicht  beter aan doen mee te doen met de EG, antwoordde hij,
dat  het de vraag is  of de EG dat wil,  want dat zou een vrije
arbeidsmarkt met zich mee brengen.

Associatie met USA?

Prof. Abbott, afkomstig uit St. Kitts, bracht de Caribean onder
de  aandacht van  deze Kleine  Landen Conferentie.  Hij gaf een
prikkelende   analyse,  die   uitmondde  in   het  voorstel  de
Caribische  eilanden  te laten  associeren  met de  USA. Abbott
wijst  erop  dat  CARICOM en  Caraibean  Development  Bank maar
betrekkelijk weinig resultaat hebben geboekt. In ieder geval is
verdere  uitbouw niet  te verwachten.  Abbott stelt  dat men de
basis  feiten  van  geografie  en  historie  niet  moet blijven
negeren.  De logische conclusie  is dan volgens  hem te streven
naar   een   associatie  met   de   USA.  Zonder   verlies  van
onafhankelijkheid  zou  men  deel  moeten  worden  van  de  USA
instituties,  waaronder die betreffende veiligheid en defensie.
Er  zou een  vrije toegang van  goederen en  personen vanuit de
Caribean  naar  de USA  moeten komen.  Mijn opmerking  dat zijn
voorstel  lijkt op het  "idee Lubbers" was  voor hem een blijde
verrassing.

  Prof. Treadgold uit Australie belichtte op deze Kleine Landen
Conferentie  op Malta eilanden in de  Pacific, en wees erop dat
vele  kleine landen de munt van een ander land als betaalmiddel
gebruiken.  Dat is alleen  al in de  Pacific bij dertien landen
het  geval. Verder maakte  Frankrijk eind april  bekend, dat de
CFA,  de  met  de  Franse  frank  verbonden  munt  van veertien
Afrikaanse landen, wordt gekoppeld aan de Europese munt, de ECU
(Nf 2,30 waard). Ook grote landen zien daarvan overigens steeds
meer de voordelen in. Zo besloot Zweden op 17 mei om de Zweedse
kroon,  die  veertien jaar  gekoppeld  was geweest  aan  de USA
dollar,  voortaan te  koppelen aan de  ECU. De  Noorse kroon is
vorig  jaar oktober al gekoppeld aan de ECU en de president van
de  centrale bank van Finland  heeft aangekondigd, dat ook zijn
land voor de Finse markka een koppeling met de ECU wenst.

Thuiswedstrijd op Malta

  Malta  is  een land  dat veel  op  Suriname lijkt.  Het heeft
ongeveer  evenveel  inwoners en  was  vroeger ook  een kolonie,
namelijk  van  Engeland. Het  land  heeft een  eigen  munt, een
piepklein  eigen legertje, dat  zich op geen  enkele manier met
politiek     bemoeit,    eigen     instituties,    een    eigen
loonvormingsproces   en  een   eigen  taal   het  Maltees,  dat
grotendeels  een Arabische taal is. Overigens spreekt men er in
bedrijf  en overheid Engels.  De Maltese Lira  is gekoppeld aan
een  gemiddelde van dollar en ECU. De laatste tijd heeft de ECU
daarbij een zwaarder gewicht gekregen.
 Omdat de Kleine Landen Conferentie in Malta werd gehouden leek
het  me een aardig idee om in plaats van het Suriname-model een
speciaal   Malta-model  te  presenteren.  Dank  zij  de  vlotte
medewerking  van het  Statistiekbureau van Malta  kreeg ik twee
maanden  ervoor  het grondmateriaal.  Het  blijkt dat  het voor
Suriname  ontwikkelde nationale  boekhoudprogramma MACROABC ook
handig  is te  gebruiken voor  Malta. Het  eigenlijke Suriname-
model  bleek echter  niet zonder  meer te  versleutelen tot een
model  voor Malta. De kracht van het Suriname-model is namelijk
dat  er een micro-blok en parallelmarkt in zit. In het Suriname
model  zijn onder andere voor  bauxiet, aluinaarde en aluminium
aparte    prijs,   productie   en   investerings-vergelijkingen
opgenomen.  Zo leidt  bijvoorbeeld devaluatie  in het Suriname-
model  niet  tot  de geweldige  exportgroei,  die  sommigen van
devaluatie verachten. De omvang van de productie van aluinaarde
en aluminium wordt immers begrensd door de hoeveelheid goedkope
waterkrachtenergie,  oftewel de hoogte van het waterpeil in het
stuwmeer.   Aangezien  devaluatie  geen  invloed  heeft  op  de
regenval, leidt het in het Suriname-model niet tot groei van de
export  van de belangrijkste producten. In Malta is dat anders,
want de voornaamste export van het land betreft toerisme en die
is  heel  gevoelig  voor  internationale  prijsverschillen.  We
hebben  daarom aluinaarde, aluminium etc. uit het model gehaald
en   daarvoor  in  de  plaats  voor  Malta  een  uitvoerfunctie
opgenomen  die, anders dan in het geval van Suriname, heel snel
en  sterk reageert op devaluatie.  Het aardige van het ombouwen
van  het Suriname-model  voor een ander  land is,  dat men zich
weer  bewust wordt van  de speciale trekken  van Suriname. Voor
Suriname hebben we ons nogal wat moeite moeten getroosten om de
parallelmarkt  (via de EA-importen en parallelmarktkoers) op te
nemen  in het model.  Malta is wat  dat betreft een verademing,
waardoor ook de bouw van een model veel gemakkelijker gaat. Wel
moesten we bijna alle vergelijkingen opnieuw schatten, maar dat
is  geen kunst, als men eenmaal dankzij Macroabc de data netjes
geordend  bij de  hand heeft. Dat  herschatten was bijvoorbeeld
nodig  voor de belastingvergelijkingen.  In Suriname hebben die
een  lager gemiddeld  tarief dan men  juridisch zou verwachten.
Waarom? Het Suriname model gaat uit van de realiteit, en die is
dat er weinig belasting wordt betaald.
Nadat   provisorisch  de  typisch  Surinaamse  kenmerken  waren
verwijderd, resulteerde een testversie van een macro model voor
Malta, zodat ik op de conferentie een thuiswedstrijd kon spelen
voor  het Maltese  publiek. Voor  de overige  deelnemers aan de
Kleine  Landen Conferentie  was het ombouwen  van het Suriname-
model voor Malta van belang om te laten zien, dat kleine landen
ondanks  verschillen ook  veel gemeen hebben.  In het bijzonder
dat  de  exportsector  in  kleine landen  zo  belangrijk  is en
wispelturig kan zijn.
 Het  zou goed zijn  als ook anderen  uit het Suriname wereldje
zich  eens met een ander klein land zouden kunnen bezig houden.
Dan  pas  wordt  zich  men goed  bewust  van  overeenkomsten en
verschillen.  Waarom zou  Suriname niet net  zoals Malta kunnen
over  stappen op  een wisselkoers gekoppeld  aan de  ECU en ook
proberen  deel  te  worden  van  de  Europese  Gemeenschap? Zou
Suriname omdat men er midden jaren tachtig is afgedwaald van de
vaste  wisselkoers tot in lengte  van jaren blijven zwalken met
allerlei  meervoudige  zwevende  koersen  en  een corrumperende
parallelmarkt, die bovendien het normale bedrijfsleven wurgt?

  Ver van huis hoort men veelal iets dat dicht bij is. In Malta
hoorde  ik van  een rapport  dat Bosman  & van  Philips in 1966
schreven  op  verzoek  van  de  Indonesische  Regering  over de
monetaire  problematiek. Bosman (2) stelt "dat het in hoofdzaak
de   overheidsfinancin   zijn,  die   voor   de  geldschepping
verantwoordelijk  kunnen worden gesteld. ....Aan de importzijde
wordt  deze druk  ingedamd door deviezencontrole.....  " Ook in
Indonesia  leidde dat  tot een  parallelmarkt. Voor  een dollar
kreeg  men  op de  parallelmarkt  zes keer  zoveel  rupiahs als
officiel.  De salarissen  bleven achter  bij de prijsstijging.
"Allerlei nevenactiviteiten zijn dus nodig om voor aanvullingen
op  de  'hoofdverdienste' te  kunnen  zorgen. ...Bij  dit alles
verwondert  men zich, eerder  dan over de  corruptie zelf, over
het  feit  dat  de corruptie  niet  nog veel  erger  is." aldus
Bosman.

  Bestudering  van de ervaring van andere kleine landen, van de
historie  van Suriname zelf, en modelberekeningen leren, dat de
monetaire problemen van Suriname oplosbaar zijn. De successtory
van  het kleine Malta leert,  dat een werkend markmechanisme en
een gezonde exportsector de motor voor groei kunnen worden.



________________
1) Dit rekeninstrument staat beschreven in "Een Macro-model van
een  Micro-economie", dr. M. van Schaaijk, uitgave Stuseco ISBN
90-73732-01-8,  verkrijgbaar in de  boekhandel en in Paramaribo
bij VACO aan de Domineestraat.
Een  brochure  met  daarin  de  twaalf  essays  over Suriname's
economie,  die eerder zijn verschenen  in de Weekkrant Suriname
en  De Ware  tijd, is  verkrijgbaar via  de boekhandel. Uitgave
Stuseco,  ISBN 9073732042 prijs Nf 25,- . In Paramaribo te koop
voor Sf 15,- bij boekhandel VACO in de Domineestraat.
2) W.J.Bosman:"Indonesie opnieuw op een keerpunt" ESB 8-6-1966
