             MACRO PROBLEMEN IN EEN MICRO ECONOMIE

                  gepubliceerd in ESB 26-2-92

               M. van Schaaijk , februari 1992 *)

Kleine  landen kunnen  grote problemen  kennen. Bij ongewijzigd
beleid  zal Suriname's economie  gestaag verder achteruit gaan.
Met behulp van een macromicro econometrisch model, dat speciaal
voor Suriname's kleine economie is ontworpen en uitgetest op de
economische ontwikkeling van de afgelopen dertig jaar, kan deze
micro  economie macroeconomisch worden geanalyseerd. Het blijkt
mogelijk het proces van economische neergang af te remmen en na
enkele  jaren om te buigen tot groei, zodat in het begin van de
volgende  eeuw de welvaart van de  jaren zeventig weer in zicht
zou kunnen komen.


                   METHODIEK SURINAME-MODEL


De  oppervlakte van Suriname is ruim vier keer zo groot als die
van  Nederland.  Nederlanders, maar  ook Surinamers,  hebben er
vaak  moeite mee om evenwichtig te  oordelen over de omvang van
Suriname.  Wat betreft bevolkingsomvang is het land immers niet
meer   dan  een  provinciestadje,   maar  tegelijkertijd  heeft
Suriname  een complete macro economie,  met een eigen regering,
een   eigen  loonvormingsproces  met  centrale  werknemers-  en
werkgevers-organisaties,  een eigen munt,  invoerrechten en een
eigen  begrotingsbeleid.  Suriname  is klein  (micro)  en groot
(macro)  tegelijk. Dat heeft zowel voordelen als nadelen en het
is zaak daarmee rekening te houden.

Een  voorbeeld uit de praktijk. Als men het gemiddelde loon per
werknemer  wil  berekenen  houdt men  een  steekproef  onder de
bedrijven.  Hoeveel bedrijven  moet men  dan enqueteren  om een
nauwkeurige  berekening te kunnen maken?  Op het eerste gezicht
zou  men zeggen dat zulks afhangt van  de vraag of het over een
groot  land (bijvoorbeeld  Nederland), dan  wel een  klein land
gaat.  De steekproeftheorie leert echter dat niet de omvang van
de  populatie, maar de  variantie bepalend is.  In Suriname met
zijn  grote spreiding in lonen en culturen moet men bij gebruik
van  steekproeven daarom geen kleinere,  maar juist een grotere
steekproef trekken dan in een groot land het geval zou zijn.
Een ander voorbeeld: bij gebruik van een macro-model, maakt het
voor  de  rekensnelheid van  de computer  niets  uit of  het om
miljoenen  Surinaamse, dan wel om miljarden Nederlandse guldens
gaat.

schaal

In  een klein land werkt de wet  van de grote aantallen niet in
de  exportsector. Incidenten  lijken dan  alles te  bepalen. Zo
heeft  bijvoorbeeld een schip vol  aluinaarde een waarde gelijk
aan  0,5% van de waarde van  de totale export van Suriname over
een  heel jaar. Als zo'n schip  vanwege laag water met Kerstmis
pas met Nieuwjaar kan vertrekken heeft dat een effect van 1% op
de  verandering van de export  van Suriname. Als diezelfde boot
in  Nederland juist voor of juist  na Nieuwjaar aan komt, heeft
dat  een te verwaarlozen effect op de grote Nederlandse invoer.
Vanwege  dit  soort  schaalkwesties  werd  het  betwijfeld (zie
Butter  "An introduction in mini economics", Amsterdam,1985) of
een macro-model voor kleine economien valt te bouwen.
Een kleine schaal is echter niet altijd nadelig. Wij hebben van
de  nood een  deugd gemaakt  en de  knoop door  gehakt door het
beperkte  aantal exportproducten simpelweg stuk voor stuk op te
nemen in het model. In Suriname zijn elf producten tezamen goed
zijn  voor  90%  van  de totale  export.  Dat  zijn aluinaarde,
garnalen, rijst, aluminium, bauxiet, bacoven&bananen, toerisme,
triplex   en  hout,  terwijl  vroeger   ook  koffie  en  suiker
belangrijk waren.
 Met  die micro benadering voor de exportsector erbij bleek een
macro  model voor een klein land  toch te bouwen. Juist vanwege
het  punt  op  grond  waarvan  modelbouw  voor  een  klein land
onmogelijk werd geacht, bleek dat juist gemakkelijk te gaan.

schat

In  de  tweede  plaats doet  zich  in het  Surinaamse  geval de
gelukkige  omstandigheid  voor  dat  er  een  grote  schat  aan
informatie  over Suriname's economie bekend  is, terwijl men er
in  is geslaagd om de samenstelling van de Nationale Rekeningen
zelfs onder de huidige moeilijke omstandigheden te continueren.
Een  modelbouwer moet zich realiseren,  dat hij geen specialist
is op ieder gebied. In feite is zijn vak bruggenbouw: hij maakt
gebruik  van  de kennis  van specialisten.  Het bouwen  van een
macro-model  waarmee de  werking van Suriname's  economie op de
computer  kan worden  nagebootst, bestaat  dan voornamelijk uit
het  samensmeden van  een paar  honderd publicaties,  die ieder
diverse aspecten van Suriname's economie belichten.

model als hulpmiddel

  Op basis van de literatuur en het idee van het microblok voor
de  exportsector is eerst een  raamwerk voor het Suriname-model
gemaakt.    Vervolgens   is   dat   ingevuld   op   basis   van
kwantificeringen  van  afzonderlijke vergelijkingen.  Daarna is
het model onderworpen aan vijf zware tests en verder verbeterd.
Die tests hielden tevens analyse van het verleden in. Voor vijf
deelperiodes   zijn  "vooruitberekeningen   achteraf"  gemaakt.
Vervolgens  is het model gebruikt om de recente statistieken te
actualiseren,  en is  een technische  vooruitberekening gemaakt
voor de jaren 1991 tot en met 2001.

  In  dit korte artikel kunnen we natuurlijk niet gedetailleerd
ingaan  op de achtergrond van  het model. Daarvoor verwijzen we
naar  "Een  Macro-model van  een Micro-economie".  We bespreken
hier  slechts  enkele flitsen  van de  aspecten die  naar voren
kwamen bij de historische simulaties.

economische successen

In  de  jaren  vijftig en  begin  jaren zestig,  bestond  er in
Suriname  nog veel belangstelling  voor bedrijfseconomie. In de
tijd  kwam de productie  van tal van  nieuwe producten op gang.
Bacoven  (bananen), garnalen en spaanplaat  voor de export. Een
melkfabriek,   alcoholfabriek  en  bierbrouwerij  zorgden  voor
importvervanging.  Ook de  bestaande productie  groeide, in het
bijzonder  de rijstproductie. Die verdrievoudigde zelfs. Ook de
suikerproductie  nam  toe.  Verder  verdubbelde  de industrile
productie  van bouwstenen en die van  veevoer nam nog meer toe.
Ook  de rund-  en varkensvleesproductie steeg.  In deze periode
was   er  rele  groei  van  de  investeringen,  zowel  bij  de
bedrijven,  als bij de overheid. Het particuliere aandeel in de
investeringen was hoog, terwijl de overheidsinvesteringen sterk
op    de   direct   productieve   sfeer   waren   gericht.   De
geldhoeveelheid  groeide niet meer  dan de rele  groei van het
binnenlands  product. De productie  groei was arbeidsintensief.
De werkgelegenheid in bedrijven groeide. Dat verschijnsel heeft
zich in latere periodes nooit meer voorgedaan.

simulatie herstructurering in 1984

Met  het Suriname model kan worden  nagebootst, wat er zou zijn
gebeurd  in de  jaren 1984-1987  als de  overheid in  1984 geen
importcontingenteringsbeleid  zou hebben gevoerd, maar toen een
herstructureringspakket  zou hebben uitgevoerd. De effecten van
het   volgende  pakket  zijn  becijferd:  uitgavenverlaging  en
inkomstenverhoging    bij   de   overheid,    zodat   er   geen
financieringstekort is; een devaluatie met prijsstijging van de
buitenlandse valuta met 110%, waardoor de prijskostenquotes van
bedrijven  weer rendabel zouden zij geworden; en een bevriezing
van  de  lonen,  maar  verhoging van  AOV  en  kinderbijslag en
voedselsubsidies  voor rijst. Uitvoering van dit pakket in 1984
zou het ontstaan van een parallelmarkt (men spreekt in Suriname
niet  van  zwarte markt)  hebben voorkomen.  In 1984  zouden de
consumentenprijzen,  als het pakket  zou zijn uitgevoerd, flink
mr  zijn  gestegen  dan  in  werkelijkheid  gebeurde.  In  de
daaropvolgende  jaren zou dat echter minder zijn geweest, zodat
in  1987 bij uitvoering van  het pakket het consumptieprijspeil
een  derde lager (!) zou zijn  geweest dan in werkelijkheid het
geval  was.  Uitvoering van  dit pakket  in  1984 zou  reeds na
enkele  jaren tot  werkgelegenheidsgroei hebben  geleid dankzij
herstel van de prijskostenquotes.
Kortom  als dat pakket  zou zijn uitgevoerd,  zou Suriname even
stevig  de  broekriem moeten  hebben  aanhalen, maar  na enkele
jaren  zou herstel zijn gevolgd. De koopkracht, die nu nog maar
een  kwart is  van het niveau  van begin jaren  tachtig, zou nu
vier   keer  zo  hoog  zijn  geweest   als  men  in  1984  zo'n
hervormingspakket zou hebben uitgevoerd.

                           DIAGNOSE

bron van ellende:  het financieringstekort

Tot  begin jaren tachting kende  Suriname twee vaste regels: de
koers  van de Surinaamse gulden ten  opzichte van de dollar was
vast,   en   de   overheidsuitgaven   waren   gelijk   aan   de
overheidsinkomsten.
Begin  jaren tachtig was er een daling in de overheidsinkomsten
uit  bauxiet en  ontwikkelingsmiddelen. De  overheid bezuinigde
daarop op de ontwikkelingsuitgaven, maar de inkomstendaling uit
de    bauxiet   leidde    niet   tot    belastingverhoging   of
uitgavenbeperking.  Integendeel werden de consumptieve uitgaven
zelfs  verhoogd!  Het  gat  werd gedicht  met  leningen  bij de
Centrale   Bank.   Bijgaand   tabelletje   bewijst,   dat   het
financieringstekort  in de jaren  1983 en 1984  leidde tot meer
geld  in omloop dan er goederen waren, hetgeen zuigkracht op de
invoer  uitoefent.  Men ziet  in  die jaren  daarom  afname van
deviezenvoorraad.

Monetaire gegevens Suriname
--------------------------------------------------------------
Jaar                    83  84  85  86  87  88  89  90    91
   *mln Sf
Financieringstekort    320 290 365 446 504 495 370 230(a)343(b)
Afname deviezen        169 102  14   8   0  16  -2 -17    21(b)
Toename geldhoeveelheid 76 113 287 395 310 383 233 150   388(b)

Koers parallelmarkt      1   1  2,2 3,2 4,6 5,0 7,3 8,5   9,2
--------------------------------------------------------------
a) exclusief effect obligatielening van Sf. 445 mln.
b) eerste helft 1991

In  1984  was de  deviezenvoorraad op,  maar  in plaats  van de
tering   naar   de   nering   te   zetten,   startte   men   de
invoercontingentering.   Er  werden  per   kwartaal  niet  meer
invoervergunningen  uitgegeven dan de exportopbrengsten van dat
kwartaal    groot    waren.    De    door    het   voortdurende
financieringstekort  steeds verder  toenemende geldvoorraad kon
via  import  niet meer  afvloeien naar  het buitenland.  Als de
consumenten   steeds  meer   geld  in   handen  hebben   en  de
goederenhoeveelheid  wordt  kleiner, dan  stijgen  uiteraard de
prijzen,   waaronder  de  prijs  van  buitenlandse  valuta:  de
wisselkoers  op de vrije  parallelmarkt. In bijgaand tabelletje
ziet  men dan ook dat de  geldhoeveelheid sinds 1984 ieder jaar
toeneemt  en  vervolgens  de  koers  op  de  parallelmarkt  ten
opzichte  van de  officile koers. Momenteel,  februari 1992 is
die verhouding al een op twaalf.
Het   financieringstekort   is  de   oorzaak  van   de  dubbele
wisselkoers en die heeft op zijn beurt twee gevolgen.
1)  Door  op  en neer  te  wandelen tussen  officile  markt en
parallelmarkt  kunnen sommigen enorme rijkdom vergaren. Anderen
daarentegen  komen in  steeds bitterder  armoe te  verkeren. De
spanning  tussen de twee  markten lokt onvermijdelijk corruptie
uit.  2) Producenten voor de export zoals rijstboeren moeten de
harde  valuta die zij verdienen  geheel of gedeeltelijk afstaan
aan  de  overheid,  terwijl  ze  een  belangrijk  deel  van hun
grondstoffen  op  de dure  parallelmarkt moeten  kopen. Vroeger
winstgevende  productie  is  daardoor  verlieslatend  geworden.
Daardoor   zijn  ondernemers  gedwongen  hun  productie  in  te
krimpen.  Men ziet dan  ook dat de  rijstproductie intussen nog
maar de helft is van het vroegere niveau.

onzekerheden

De  nabootsing van  Suriname's economie  middels een economisch
model levert op twee punten grote onzekerheid op.
Het   eerste   betreft   de   loonvorming.   Die   wordt   niet
gepredestineerd  door  economische wetmatigheden,  maar  is het
resultaat  van  de vrije  wil van  de  sociale partners  die de
collectieve  arbeidsovereenkomsten  sluiten.  We  gaan  op  dit
aspect  hier niet in en verwijzen naar bladzijden 65-73, 99-106
van "Een macro-model van een micro-economie".
Het  tweede  punt betreft  de overliquiditeit.  Essentiel voor
economisch  herstel en  corruptiebestrijding is  het verdwijnen
van de dubbele wisselkoers, maar zulks is slechts goed mogelijk
als  de overliquiditeit onschadelijk  wordt gemaakt. De dubbele
wisselkoers  bestaat nog niet  lang genoeg om  de werking ervan
empirisch    te   onderzoeken.    Voor   dit    onderdeel   van
diagnosestelling  en zoeken naar de remedie moet het rekenmodel
van  Suriname's  economie  daarom  worden  aangevuld.  Het gaat
vooral  om de vraag hoe hoog die  ene koers zou zijn, die in de
plaats  komt voor  de huidige  dubbele koersen.  Wat betreft de
lopende  sfeer komt het  grofweg neer op  het volgende. We gaan
daarbij  uit van de parallelmarkt koers  van n Nf op tien Sf.
De officile koers ronden we gemakshalve af op n Sf is gelijk
aan n Nf.

   SURINAAMSE INVOER     OFFICIEEL PARALLEL  TOTAAL

   Nu in Nf                 600   +   300   =  900
   Nu in Sf                 600   +  3000   = 3600

   Straks? (4Sf=1Nf?)in Sf 2400   +  1200   = 3600

De  officile  goedereninvoer  bedraagt  ongeveer  zes  honderd
miljoen,   zowel  in  Surinaamse  als  in  Nederlandse  guldens
gemeten. Dus voor deze invoer ter waarde van zeshonderd miljoen
Nederlandse  guldens betaalt  de Surinaamse  koper afgezien van
handelswinst ook zeshonderd miljoen Surinaamse guldens.
De  invoer via  de parallelmarkt bedraagt  grofweg drie honderd
miljoen  Nederlandse  guldens.  Voor  deze  parallelmarktinvoer
betaalt  de Surinaamse  consument echter  bij een parallelkoers
van 1 : 10 drie duizend Surinaamse guldens. De totale invoer is
dus   negen  honderd  Nederlandse  guldens  waard,  terwijl  de
Surinaamse  consument  er  zes  en  dertig  honderd  Surinaamse
guldens voor neer telt.
Gemiddeld  genomen worden  er dus vier  Surinaamse guldens neer
geteld  voor  invoer  ter  waarde  van  n  Nederlanse gulden.
Wanneer  we het kapitaalverkeer  even buiten beschouwing laten,
geldt  er dus een  middenkoers van n  op vier. Anders gezegd,
als  de huidige dubbele  koersen van 1:1  en 1:10 zouden worden
vervangen  door  n  koers  van  1Nf:4SF  ,  dan  zouden  alle
Surinamers tezamen voor de invoerproducten evenveel betalen als
nu,  terwijl  het buitenland  evenveel Nederlandse  guldens (of
andere harde valuta) zou ontvangen als nu.

bedrijfseconomie

Bij  de  samenstelling van  een herstructureringspakket  is het
niet alleen zaak om zodanig te devalueren en andere maatregelen
te  treffen, dat de  corrumperende parallelmarkt verdwijnt. Men
moet er ook voor zorgen, dat voor de belangrijkste producten de
opbrengstprijs  hoger komt  te liggen dan  de kostprijs. Verder
zouden  er  na herstructurering  mogelijkheden  kunnen ontstaan
voor  nieuwe producten, die we niet in onze berekeningen hebben
meegenomen (porseleinaarde, veeteelt, aquacultuur?).
Het  blijkt  mogelijk om  er voor  te  zorgen dat  onder andere
bauxiet,  rijst, bacove en garnalen weer rendabel worden. Begin
1991  had dat gekund  via een pakket  maatregelen waaronder een
devaluatie,  waarbij de waarde van  de buitenlandse valuta vier
keer  zo  groot  wordt  (dus  met  300%  stijgt),  dus  vrijwel
overeenkomend met de eerder besproken middenkoers.


                 TOEKOMST SURINAME'S ECONOMIE

NIETS DOEN

We  hebben het Suriname model gebruikt  om te becijferen wat er
zou gebeuren bij ongewijzigd beleid, dus bij voortduren van het
financieringstekort.   Verder   veronderstelden  we   even  een
loonstijging van gemiddeld slechts twee procent per jaar. Onder
deze veronderstellingen laat het model een stijging zien van de
parallelmarktkoers,  die vorig jaar  nog op een  op tien stond,
naar  een  op  veertig  in  1994.  Verder  loopt  de jaarlijkse
prijsstijging  in de  dubbele cijfers,  en daalt  de koopkracht
idem. Onder die omstandigheden is een loonstijging van een paar
procent  echter niet waarschijnlijk. Vermoedelijk gaan de lonen
dan  stijgen conform de prijzen,  vervolgens stijgen de prijzen
vanwege  de toename van de  loonkosten. Dit haasje-over zal dan
waarschijnlijk eindigen in hyperinflatie.

REFERENTIEPAKKET

Er bestaat echter een minder somber scenario. Dat veronderstelt
dat  de ontwikkelingsactiviteiten snel op gang komen. In enkele
jaren   tijd  zou   in  dit   scenario  de   besteding  van  de
ontwikkelingsmiddelen  weer  op het  peil  van twee  honderd en
twintig  miljoen Nederlandse guldens per  jaar komen te liggen.
De  belastinginning wordt  verbeterd. Voor de  export van rijst
geldt  een "retentieregeling", waarbij  de rijstboeren een deel
van  hun harde valuta zelf mogen houden. De overheidsconsumptie
stijgt   niet   meer   dan  de   prijsstijging.   Verder  wordt
verondersteld,  dat  het  mogelijk  is  door  het  plaatsen van
obligatieleningen  een deel van de overliquiditeit uit de markt
te  nemen. Het tarief  van de invoerrechten  wordt verhoogd met
twee procentpunt.
  Onder  deze veronderstellingen  geeft het  Suriname-model als
uitkomst  een stabilisatie van de koopkracht, een geringe groei
van   de   exporthoeveelheid,   een   vrijwel   gelijkblijvende
werkgelegenheid  bij de  bedrijven, terwijl  de werkloosheid de
komende jaren op het huidige hoge niveau zou blijven staan. Het
normale  bedrijfsleven ziet  zijn prijskostenverhouding  in het
algemeen    niet   op   rendabel   niveau   komen,   zodat   de
bedrijfsinvesteringen op het huidige lage niveau blijven staan.
De  profiteurs  van de  parallelmarkt  zien hun  inkomen echter
flink  stijgen,  want de  parallelmarktkoers  (een op  negen in
1991) stijgt naar een op zeventien in 1994.
  Dit     referentiepad     leidt     dus     ondanks     forse
ontwikkelingsmiddelen,  die bovendien  geacht worden productief
te worden aangewend, niet tot economisch herstel. Verder blijft
hyperinflatie  op de loer liggen,  want de loonmatiging beneden
het  inflatietempo  berust  slechts  op  een  veronderstelling,
terwijl  de parallelmarkt-koersraming met  risico's is omgeven.
De   stijging  ervan  zou  mee  kunnen  vallen,  maar  als  het
vertrouwen  in  Suriname's  economie  op  langere  termijn  zou
verdwijnen,  moet rekening worden gehouden  met een veel hogere
koers dan de becijferde een op zeventien.

De  EG  heeft aan  Suriname  een team  van  Coopers&Lybrand ter
beschikking  gesteld om een aanpassingsprogramma op te stellen.
Dat  team heeft in december 1990 conceptrapport uitgebracht met
een 'adjustmentpakket', dat veel lijkt op het zojuist besproken
'referentiepakket'.   Noch   het  referentiepakket,   noch  het
adjustmentpakket  bieden echter een duurzame oplossing omdat ze
niet  leiden  tot het  verdwijnen  van de  dubbele wisselkoers.
Daarvoor  is  een  veel  verder  gaand  herstructureringspakket
nodig.

HERSTRUCTURERINGSPAKKET '91

Het  'herstructureringspakket '91' is  begin 1990 ontworpen als
illustratie   om   de   werking  van   het   Suriname-model  te
demonstreren.  (Zie hoofdstuk  7 van  'een macro-model  van een
micro-economie').  Bij de constructie van  dit pakket hebben we
ons  eerst afgevraagd, waarop we in het bijzonder zouden moeten
letten:
In  de eerste plaats dient de  bron van de economische ellende,
het  financieringstekort van de overheid, te verdwijnen. Anders
blijft  het dweilen met de kraan  open. Verder dient de dubbele
wisselkoers  te  verdwijnen,  want daardoor  wordt  het normale
bedrijfsleven   langzaam   maar  zeker   gewurgd,   terwijl  de
profiteurs van de parallelmarkt in het geld zwemmen. Het pakket
maatregelen  dient  verder zo  te  zijn, dat  tegelijk  met het
verdwijnen   van   financieringstekort  en   parallelmarkt,  de
prijskostenverhoudingen in de export weer op winstgevend niveau
komen.  Tegelijkertijd dient er voor  te worden gezorgd, dat de
koopkracht  van de armsten, de bejaarden, verbetert, terwijl de
koopkracht van de werknemers gemiddeld niet achteruit gaat. Dat
laatste  is zowel  om sociale redenen  nodig, als  om ervoor te
zorgen  dat er een voldoende  maatschappelijk draagvlak is voor
bevriezen van de lonen. Er moeten daarom een aantal maatregelen
gelijktijdig worden genomen. Dat kan niet geleidelijk. Denk aan
het voorstel begin jaren zeventig in Suriname om van het linkse
verkeer  over te stappen op rechts  verkeer: het eerste jaar de
vrachtwagens, en pas in het tweede jaar ook de personenauto's.

Het  'herstructureringspakket 91' bestaat uit vele maatregelen.
Daarvan  zijn  de  belangrijkste:  Verviervoudiging  ouderdoms-
uitkering,    kinderbijslag,    onderstanden,    en   tijdelijk
voedselsubsidies;    Devaluatie    met    300%   waardestijging
buitenlandse   valuta,  dus  koers   naar  1Nf=4Sf;  Aanpassing
invoerrechten;  Geen  ontslagen,  wel  personeelstop  overheid;
Ontwikkelingsinvesteringen  snel  naar  Nf 220  mln.  per jaar;
Onschadelijk  maken overtollige geldhoeveelheid met Nf 400 mln.
deviezensteun    (niet    voor    overheidsuitgaven   bestemd);
loonmatiging  (mogelijk bij koopkrachtbehoud); snelle opvoering
van  de ontwikkelings-investeringen tot Nf 220 miljoen per jaar
en wel grotendeels in productieve richting.

De  monetaire maatregelen  vormen een  belangrijk onderdeel van
het  pakket. Ze zijn gericht op het terugkeren naar en situatie
van  een  uniforme  wisselkoers.  In  feite  komt  het  neer op
terugkeren naar het monetaire regiem, zoals dat tot begin jaren
tachtig  uitstekend  heeft  gewerkt. Gegeven  het  feit  dat de
geldhoeveelheid vroeger steeds vrijwel gelijk was aan een kwart
van  het binnenlands product,  kan worden becijferd,  dat er in
1990  een  overliquiditeit  van  anderhalf  miljard  Surinaamse
gulden  was. Bij een devaluatie van 1:4 is er dan hoogstens 400
miljoen  Nederlandse gulden nodig om  de overliquiditeit weg te
werken.

Onder  de  veronderstelling,  dat  er  voldoende  deviezensteun
beschikbaar  zou komen, volgen hier  de resultaten die blijkens
modelberekeningen       na       uitvoering       van       het
'herstructureringspakket '91' hadden mogen worden verwacht:
1) Financieringstekort weg
2) Dubbele wisselkoers -en daarmee de parallelmarkt- verdwenen
3) Normale bedrijfsleven winst i.p.v. verlies
4) Gemiddelde koopkracht werknemers gelijk en van bejaarden
stijgt
5) Profiteurs parallelmarkt betalen de rekening

Dit    resultaat    maakt    ook    duidelijk,    waarom    dit
herstructureringspakket  maatschappelijk uitvoerbaar mag worden
geacht: de koopkracht van de werknemers blijft immers gemiddeld
gelijk,  ondanks bevriezing van de  lonen. Ook omdat het pakket
verder  uitzicht  geeft op  het verdwijnen  van het  proces van
sociaal-economische   achteruitgang,  mag   steun  van  sociale
partners  worden verwacht. Verder mag  voor zo'n operatie steun
worden verwacht van de instantie die zich in 1975 verdragsmatig
heeft  verplicht steun te geven voor  de opbouw van de economie
van Suriname: de Nederlandse regering.
  Overigens  moet  bij  de  genoemde  lichte  stijging  van  de
gemiddelde  koopkracht van  werknemers worden  aangetekend, dat
die  van personen  die thans relatief  veel kunnen  kopen op de
officiele markt zal dalen, terwijl die van werknemers die thans
veel  op de  parallelmarkt moeten  kopen hun  koopkracht zullen
zien   stijgen.  Het   is  gewenst   om  via   een  snel  mini-
budgetonderzoek  dit soort verschillen in beeld te krijgen. Tot
op zekere hoogte kunnen dan compenserende koopkrachtmaatregelen
worden getroffen.

ANNO 1992

Het  'herstructureringspakket  '91' is  voorjaar 1990  door ons
vervaardigd.  Intussen zijn we twee jaar verder en men kan zich
afvragen in hoeverre het thans nog actueel is. Daarbij zijn zes
ontwikkelingen van belang:
1)  Vanwege  ontwikkelingen  in  Oost  Europa  biedt  men grote
hoeveelheden    aluminium   aan    op   de    wereldmarkt.   De
wereldmarktprijs  van aluminium  is daarom  in 1990  en 1991 in
totaal  met 32% gezakt  en daarmee ook  het gros van Suriname's
export.    Het   tot   stand    brengen   van   een   rendabele
prijskostenverhouding in de exportsector biedt daarom nu minder
mogelijkheden  dan  twee  jaar  geleden  om  een  devaluatie te
koppelen aan additionele overheidsinkomsten uit de export.
2)  De na de  kerstcoup van 1990  aangetreden regering heeft in
1991  gezorgd  voor een  gigantisch financieringstekort.  In de
eerste  helft van  het jaar  nam de  geldhoeveelheid daarom met
bijna vier honderd miljoen toe.
3)  De brain  drain is  weer twee  jaar voortgeschreden,  en de
motivatie    van    het   ambtelijk    apparaat    nog   verder
achteruitgegaan. Hierdoor zal het moeilijk worden om een aantal
herstructureringsmaatregelen  binnen  een  kort  tijdsbestek te
realiseren.    Men   denke   aan    de   verbetering   van   de
belastinginning. Zelfs het opstarten van ontwikkelingsprojecten
in  de infrastructuur, die voor  de overheid in organisatorisch
opzicht  eenvoudig zijn,  omdat ze  door particuliere aannemers
worden uitgevoerd, zal nu minder vlot verlopen dan enkele jaren
geleden  nog mogelijk  was. Diverse  vormen van  bevriezing van
overliquiditeit   kan   men  wel   vergeten,  omdat   het  goed
functionerend  ambtelijk apparaat dat  daarvoor nodig is, thans
in Suriname niet meer in voldoende kwaliteit aanwezig.
4)  Het deel van Suriname's deviezeninkomsten dat zijn weg naar
de  parallelmarkt  heeft  gevonden is  groter  geworden  en dit
kanaal  loopt thans  zo soepel,  dat het  nu niet  meer zo goed
mogelijk  lijkt om na herstructurering  te verhinderen dat deze
deviezeninkomsten worden gebruikt voor kapitaalvlucht.
5)  De  lonen zijn  weer enkele  jaren  achter gebleven  bij de
prijzen,  waardoor  de  bereidheid  tot  matiging  al  flink is
beproefd.
6)  De  mogelijkheid om  overliquiditeit  via het  plaatsen van
obligatieleningen af te romen raakt uitgeput: de jongste lening
bracht  slechts 134 miljoen  op, terwijl zo'n  zelfde lening in
1990  nog 445 miljoen opleverde.  Het gedaalde vertrouwen in de
Surinaamse  munt blijkt  verder uit  het feit  dat n  Nf eind
vorig jaar acht Sf opbracht en in februari al twaalf Sf.

Afromen  van de overliquiditeit  zou begin 1991  nog met Nf 400
miljoen  hebben gekund. Nu zou dat 200 miljoen Nederlands extra
kosten. Omdat het risico bestaat, dat de ontwikkelingsprojecten
niet  zo snel op gang komen en ook het bedrijfsleven door brain
drain  is verzwakt en dientengevolge ook  niet meer zo snel zal
reageren, moet worden gevreesd, dat het productieherstel minder
snel zal gaan. Dat bindt niet alleen minder liquiditeiten, maar
heeft  ook  tot  gevolg,  dat het  langer  kan  duren  voor het
vertrouwen  in  Suriname's  economie weer  op  voldoende niveau
komt.   Dit  betekent   dat  de   tertiaire  liquiditeiten,  de
spaargelden  en termijndeposito's met een  termijn van meer dan
een  jaar, tot ontlading  kunnen komen. Het  gaat om een bedrag
van  inmiddels anderhalf miljard  Surinaams. Onschadelijk maken
daarvan  zou op den  duur bij een devaluatie  van 1:4 bijna 400
miljoen  Nederlandse guldens kunnen  kosten. Vanwege de verdere
achteruitgang   van   Suriname  zou   de  uitvoering   van  het
'herstructureringspakket  '91'  twee  jaar  later  startend, in
1992/1993,  wel  eens  grofweg  een  half  miljard  Nederlandse
guldens extra kunnen kosten. Dit lijkt prohibitief.

Het  station  van  het  elegante,  inflatieneutrale  'herstruc-
tureringspakket  91' lijkt inmiddels gepasseerd.  Nu zal het er
in  Suriname  de  komende tijd  veel  rauwer aan  toe  gaan dan
mogelijk zou zijn geweest.

Thans  valt te  overwegen om  ook herstructureringsvarianten te
simuleren,  die uitgaan  van inflatie.  Wellicht verdient thans
een  veel hogere devaluatie dan  1:4 (t.o.v. de Nf) aanbeveling
(1:8?)  in combinatie  met loonsverhoging  (verdubbeling?). Het
beheersen van de overliquiditeit wordt dan minder duur.

Het  tot stand brengen van een  uniforme koers op korte termijn
heeft  top  prioriteit.  Dat  kan  niet  meer  wachten  op  het
opstarten  van  de ontwikkelingsprojecten,  verbetering  van de
belasting  inning etc.. Dat  moet zeker gebeuren,  maar voor de
korte termijn lijkt slechts een beperkt herstructureringspakket
uitvoerbaar.  Men kan daarbij denken aan de volgende combinatie
van   maatregelen,   waarvan   intensiteit   en   tijdpad   via
modelsimulaties zouden kunnen worden bepaald:
Door hetzij in n keer of in enkele stappen de officile koers
in  de richting van die van de parallelmarkt te brengen, hetzij
n  voor n de goederen van de officile markt te verschuiven
naar  de parallelmarkt, zou op  zeer korte termijn een uniforme
koers  kunnen worden gerealiseerd. Bij voorkeur vast, eventueel
tijdelijk  zwevend, maar in ieder geval uniform. Te denken valt
aan een koers van buitenlandse valuta die vijf tot tien keer zo
hoog   ligt  als   de  huidige.   Dit  zal   gepaard  gaan  met
prijsverhogingen,  die  niet  door  regelgeving  kunnen  worden
beperkt,  maar wel  gematigd door  deviezensteun. Algemene, bij
voorkeur     beheerste,    loonsverhogingen     zijn    daarbij
onvermijdelijk. Essentiel is dat de monetaire financiering via
hogere   opbrengst  invoerrechten   en  het   sluiten  van  een
bauxietaccoord  volledig  verdwijnt. Verhoging  van de  AOV (de
Surinaamse  AOW) is nodig, omdat de rele inkomens uit pensioen
drastisch zullen dalen. De particuliere sector dient een impuls
te   krijgen  door  ontwikkelingskredieten  voor  rehabilitatie
investeringen  en  opdrachten voor  bouwwerken. Dat  laatste is
vooral ook nodig om snel eenvoudige werkgelegenheid te creren,
want  Suriname kent  geen werkloosheidsuitkeringen,  terwijl de
prijzen   sterk  zullen  stijgen.  Verder  verdient  tijdelijke
gesubsidierde voedseldistributie aandacht
Momenteel,  februari 1992, worden  op het Surinaamse Planbureau
een   aantal  scenario's  met  behulp  van  het  Suriname-model
uitgewerkt.  Tal  van  herstructureringsvarianten  kunnen aldus
eerst  op het  droge worden  nagebootst. Dat  is goed  voor het
verkrijgen van helderheid bij overheid en sociale partners over
te   verwachten   effecten,   en   bevordert   daarmee   snelle
besluitvorming.


-----------------------
*) De auteur promoveerde op 28 februari 1991 in Groningen op de
studie    "Een   Macro-model   van   een   Micro-economie",ISBN
9073732018, verkrijgbaar via de boekhandel.


KERNGEGEVENS SURINAME'S ECONOMIE

 Er  is veel  statistische informatie  over Suriname's economie
voorhanden,   maar   die   was  niet   direct   bruikbaar  door
onduidelijkheden   in  definitie,  inconsistenties  en  hiaten,
terwijl men het risico loopt te verdrinken in een overvloed aan
details  die  men  uiteindelijk niet  nodig  blijkt  te hebben.
Verder  zijn er tal van  definitieveranderingen in de Nationale
Rekeningen,  die  Suriname  sedert 1973  kent,  terwijl daarmee
kloppende  Monetaire  Overzichten  en  Arbeidsmarktbalansen nog
nooit  waren opgesteld. Verder moesten de basisgegevens voor de
jaren  1954  tot en  met 1972  nog  uit diverse  bronnen worden
verzameld  teneinde te  kunnen beschikken  over tijdreeksen van
voldoende lange duur om een empirisch model te kunnen bouwen.
We  hebben daarom gezocht  naar een methode  om met een minimum
aan   primaire  input   toch  kloppend   met  elkaar  Nationale
Rekeningen,   Monetaire  Overzichten   en  Arbeidsmarktbalansen
compleet  te kunnen berekenen. Daarbij is  van belang dat in de
Nationale Rekeningen de meeste posten dubbel voorkomen, terwijl
tal  van variabelen van  elkaar zijn afgeleid.  De veelheid van
bladeren  ontspruit  echter  aan  een  beperkt  aantal  takken.
Uiteindelijk is het gelukt 70 primaire variabelen te selecteren
en  een boekhoudmodel te ontwerpen  dat aan die input voldoende
heeft.  Met slechts informatie  over die 70  variabelen kan men
het hele boekhoudmodel MACROABC vullen, een spreadsheet met 850
regels, dat consistent oplevert Nationale Rekeningen, Monetaire
Overzichten  en  Arbeidsmarkt- en  Financile balansgrootheden.
Met  MACROABC  in  handen  kan  men  zich  concentreren  op  de
verzameling  van informatie over de  70 macro kernvariabelen en
de  rest  te verwaarlozen,  afgezien  van een  vijftigtal micro
variabelen  (voornamelijk betreffende prijs en productie van de
belangrijkste exportproducten). Door de selectie van dit kleine
aantal,   in  combinatie  met   de  moderne  personal  computer
technologie,  is het mogelijk  gebleken met beperkte menskracht
toch  een complete  dataset voor een  ander land  te bouwen. De
diverse tabellen in dit artikel zijn afkomstig uit een uitdraai
van MACROABC.



 TABEL 1                                                 
 CONFRONTATIE MIDDELEN&BESTEDINGEN  1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
 middelenzijde                                           
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
  loonsom bedrijven                   41     274     771    862
  overig inkomen                      47     252     304    897
 netto toegevoegde waarde van    _______ _______ _______
 _______
   bedrijven, tegen factorkosten      88     526    1075
 1759
  loonsom overheid(=NTWf overheid)    10     118     346    540
                                 _______ _______ _______
 _______
 Netto BinnenlandsProduct,factork.    98     644    1421
 2299
  afschrijvingen bedrijven             8      91     182    212
  afschrijvingen overheid              0       0       0    0
  indirecte belastingen               16     224     278    261
 %minus:prijsverlagende subsidies      3      28      33    30
                                 _______ _______ _______
 _______
 Bruto BinnenlandsProduct,marktpr.   119     931    1849
 2741
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
                                                         
 bestedingenzijde                   1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
 overh.consumptie,netto materieel     14      67     204    262
   ,,     ,,    ,loonsom              10     118     346    540
                                                         
 consumptie van gezinnen              63     436    1086
 3564
                                                         
 bruto investeringen bedrijven        24     275     322    300
 bruto investeringen overheid          3      73     185    72
                                                         
 uitvoer van goederen en diensten     62     578     910    850
 %minus:invoer van goed.en dienst.    57     617    1204
 2846
                                 _______ _______ _______
 _______
 Bruto BinnenlandsProduct,marktpr.   119     931    1849
 2741



 Tabel 2   BETALINGSBALANS          1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
 UITGAVEN :                                              
 *lopende rekening :                                     
  invoer via parallelmarkt              0       0      0
2006
  invoer door bedrijven officiel     56     545    1114    797
  invoer direct door gezinnen          1      61      63    22
  invoer direct door overheid          0      11      27    21
  primaire ink.;lonen naar buitl.      0       7       5    2
    ,,    ; overig ink.naar buitl.     8      58      45    17
                                                         
 ink.overdr.van gezin.aan buitenl.     1      15      23    16
 ink.overdr.van overh.aan buitenl.     0       1       2    2
                                 _______ _______ _______
 _______
  totaal                              66     699    1280
 2884
                                                         
 saldolopenderekening(+=overschot)    -1     -88    -286    -
2026
    idem op kasbasis                  -6    -102    -274    2
                                                         
 *kapitaalrekening :                                     
 saldo kapitaalrekening                 3     164    207 
11
                                 _______ _______ _______
 _______
 saldo totale rekening, kasbasis                            
  liquiditeitstoevoer uit buitenl.    -3      62     -67    12
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
 INKOMSTEN :                                             
                                                         
 *lopende rekening                                       
 Uitvoer van:                                            
  g+d door bedrijven                  62     578     910    850
 primair inkomen; lonen uit buitl.     2       3       1    0
      ,,   ; overig ink.uit buitl.     0      18      63    4
 ink.overdr.van buitl.aan gezin.              12      21    4
                                                         
 totaal                               65     610     994    858
                                                         
 *kapitaalrekening:                                      
 ontwikkelingsmiddelen (schenking)     2      56     173    57
 netto ontwikkelingsleningen           2      17       0    0
 saldo overig kapitaal uit buitl.     -1      90      34    -46
 totaal                                3     164     207    11
                                                         
 *totale rekening:                                       
 waardering goudvoorraad e.d.          0       0      12    0
 toename monetaire reserves           -3      62     -78    17
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______




 Tabel 3  OVERHEIDSFINANCIEN        1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
 INKOMSTENZIJDE :                                        
                                                         
 verkoop goederen en diensten          6       5      10    18
 overig inkomen van bedrijven          1      19      66    136
 indirecte bel. excl.invoerrecht       6     151     110    161
 invoerrechten                         9      73     168    100
 directe belastingen                  11      48     152    381
 ink.overdr.om niet van gezinnen       0       2      16    24
 totaal                               34     299     522    819
                                                         
 kas/transverschillen                  0     -55      24    104
                                                         
 ontwikkelingsmiddelen (schenking)     2      56     173    57
                                                         
 netto ontwikkelingsleningen           2      17       0    0
                                                         
 netto particuliere leningen           0       5      -5    457
                                                         
 monetaire financiering                2      -8     103    -
227
                                                         
 totaal middelen incl. mon. fin.      73     614    1339
 2030
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
 UITGAVENZIJDE :                    1954    1975    1982
 1990
                                                         
 aankoop goederen en diensten         22     146     399    351
 loonsom overheid                     10     118     346    540
 interest van overheid aan bedr.       0       1       5    134
 interest van overheid aan buitl.      0       1       2    4
 prijsverlagende subsidies             3      28      33    30
 inkomens overdrachten om niet         4      21      32    70
                                                         
 totaal gewone-en ontwik.dienst,trans. 39    315     817
 1129
                                                         
 inkomsten excl.financiering =                           
 Inkomensoverschot (trans.)           -5     -16    -295    -
310
                                                         
 idem op kasbasis:                                       
 middelenoverschot(+) kasbasis        -5     -70    -271    -
206
 idem, + kapitaaloverdr.om niet =                           
 financieringsoverschot (+)           -3     -14     -98    -
150
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______



TABEL 4 MONETAIR OVERZICHT          1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
 FINANCIERINGSOVERSCHOTTEN                               
       op kasbasis                                       
 Bedrijven en gezinnen                -1     -31      -3    208
 Overheid                             -3     -14     -98    -
150
 Buitenland                            4      46     101    -58
                                                         
 DEKKING OP KAPITAALMARKT                                
                                                         
 Bedrijven en gezinnen                -1      85      39    -
503
 Overheid                              2      22      -5    457
 Buitenland                           -1    -108     -34    46
                                                         
 LIQUIDITEITSOVERSCHOTTEN                                
                                                         
 Bedrijven+gezinnen  excl.banken      -2      33      54    150
 Bankwezen                             0      21     -18    -
445
 Overheid                             -1       8    -102    308
 Buitenland                            3     -62      67    -12
                                                         
 UITSPLITSING LIQUIDITEITSMUTATIE:  1954    1975    1982
 1990
                                                         
 liquiditeitstoevoer uit                                 
  het buitenland:                                        
  toename monetaire reserve           -3      62     -78    17
  diversen(herwaardering goud etc)     0       0      12    0
 liquiditeitsschepping ten                               
  behoeve van de overheid:             2      -8     103    -
227
 liquiditeitsschepping bankwezen       0     -21      18    360
                                 _______ _______ _______
 _______
 totaal liquiditeitstoename           -2      33      54    150
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______




 TABEL 5  ARBEIDSMARKTOVERZICHT     1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
  aantallen *1000                                        
 bevolkingsomvang                    233     365     363    431
 bevolking 16/64 jaar                114     178     194    232
                                                         
 natuurlijke aanwas bev.16/64          1      -2       7    5
 cumulatief emigratiesaldo vanaf54     0      97     137    139
 emigratiesaldo                        0      21      26    4
                                                         
 arbeidsplaatsen bedrijven            48      64      63    41
 arbeidsplaatsen overheid              7      29      35    43
 aantal informelesector(werklozen)     4      16      20    66
                                 _______ _______ _______
 _______
 omvang beroepsbevolking circa        59     110     118    150
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______


 TABEL 6  BALANSGROOTHEDEN          1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
                                           in mln. Sf.
 deviezenvoorraad                     25     206     334    37
                                                         
 staatsschuld buitenland               0      22      46    104
 staatsschuld binnenland               0      28     199
 2541
                                                         
 geldhoeveelheid                      30     223     513
 2417
 waarvan chartaal geld                14      87     267 
958
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______


 TABEL 7  PRIJZEN                   1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
                                         indices 1975=100   
 uitvoerprijs                         35     100     162    184
 consumptieprijs                      51     100     193
 1100
 loonkosten min arb.productiviteit    48     100     257    855
 invoerprijs officiel                37     100     196    194
                                                         
 parallelmarktkoers t.o.v. officiel  100     100     100   850
 aantal Nf per Sf                     2,0     1,4     1,5   1,0




 TABEL 8   MICRODATA                1954    1975    1982
 1990
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
                                         indices 1975=100   
    exporthoeveelheden:                                  
 bauxiet                             133     100      22    0
 aluinaarde                                  100      97    136
 aluminium                                   100     228    121
 rijst                                20     100     222    65
 bacoven                                     100      98    39
 garnalen                              1     100      96    58
 hout                                 80     100      73    9
 triplex                              43     100     110    7
      exportprijzen:                                     
 aluminium                            47     100     139    191
 aluinaarde                           51     100     189    206
 bauxiet                              26     100     210    150
 hout                                 53     100     183    293
 triplex                              84     100     168    175
 rijst                                42     100      96    188
 bacoven                              59     100     221    475
 garnalen                             24     100     330    343
   prijskostenquotes export:                             
 bauxiet                             123     100     148    41
 hout                                113     100      72    36
 triplex                             179     100      66    46
 rijst                               100     100      43    23
 bacoven                             137     100      97    74
 garnalen                             58     100     155    117
 _______________________________ _______ _______ _______
 _______
