                     Van micro naar macro


paper  voor lezing op  Seminar Surinaams-Nederlandse Kamer voor
Handel en Industrie op 12 december 1992 (ook gepubliceerd in de
brochure '15 jaar monitoring'


Samenvatting

Het   Structureel  Aanpassingsprogramma  (SAP)   is  gereed  en
Suriname  staat nu aan  de vooravond van  de uitvoering van een
omvangrijk herstructureringsprogramma. Herstel van de monetaire
stabiliteit  is daarbij een  belangrijke doelstelling. Die gaat
men  realiseren door het stapsgewijs  tot stand brengen van een
uniforme  wisselkoers in  combinatie met  het opheffen  van het
financieringstekort  en met deregulering. Het op 18 juni tussen
Nederland  en Suriname gesloten 'Raamverdrag inzake vriendschap
en  nauwere samenwerking' kan daarbij  een belangrijke steun in
de  rug zijn.  Naast ontwikkelingssamenwerking  op micro niveau
voor ontwikkelingsprojecten is nu verdere deviezensteun voor de
macro   sanering  nodig.   Daarmee  is   snelle  en  intensieve
uitvoering van het aanpassingsprogramma mogelijk.


Nederland   en   Suriname:   van   bezorgde   bemoeienis   naar
vriendschappelijke terughoudendheid

Bij  gelegenheid  van het  bezoek  van president  Venetiaan aan
Nederland  werd op 18  juni 1992, zeventien  jaar na Suriname's
staatkundige   onafhankelijkheid,   het   'Raamverdrag   inzake
vriendschap   en  nauwere  samenwerking   tussen  de  Republiek
Suriname  en het  Koninkrijk der Nederlanden'  gesloten. In dit
verdrag   is  het  ontwikkelingssamenwerkingsverdrag  van  1975
opgenomen. Het gaat echter verder en kan ook als kapstok dienen
voor samenwerking ter versterking van de rechtstaat, inzake het
buitenlands   beleid   en   veiligheidsbeleid,   de   culturele
samenwerking  enz. Verder is in  het raamverdrag  opgenomen dat
de   ontwikkelingssamenwerking   kan   worden   opgeschort  bij
fundamentele schending van de constitutionele beginselen van de
democratie  en de rechtsstaat.  Verder is een arbitrageregeling
afgesproken.
  In  aanvulling op  het raamverdrag  is tussen  de Nederlandse
Minister   voor  ontwikkelingssamenwerking,  Jan  Pronk  en  de
Surinaamse  Minister voor planning en ontwikkelingssamenwerking
Eddy   Sedoc,   een   protocol   getekend,   waarbij   uit   de
verdragsmiddelen een miljard Nederlandse guldens is vrijgemaakt
ten  behoeve van ondersteuning van het structureel aanpassings-
en  ontwikkelingsprogramma. Op een bijeenkomst van de PvdA waar
beide ministers aanwezig waren lichtte Pronk toe dat hij hoopte
op  een bredere invulling  van de samenwerking  dan alleen zijn
ministerie,  namelijk ook universiteiten, gemeenten, bedrijven,
vakbeweging  en  andere  ministeries.  De  PvdA-woordvoerder Ad
Melkert  sprak (1) de hoop uit dat de 'bezorgde bemoeienis' van
vroeger  plaats zal maken  voor 'constructieve terughoudendheid
in wezenlijke betrokkenheid'.
  In   beginsel   kan  Suriname   dus  beschikken   over  brede
ondersteuning  en veel ontwikkelingsmiddelen uit Nederland. Het
zal  daarbij de  kunst zijn een  balans te vinden  tussen de te
intensieve   bemoeienis   uit  de   periode  1975-1982   en  de
verlammende  bevriezing  van  de relatie  na  1982  met slechts
consumptieve hulp vanaf 1987.
  We  keren daarom even terug naar het verre verleden. Een deel
van  Suriname's bevolking  stond in 1975  huiverig tegenover de
staatkundige  onafhankelijkheid en  vroeg zich  af of Nederland
nog  wel  zoveel  ontwikkelingshulp zou  geven.  Suriname kreeg
immers  per hoofd van de bevolking  duizend maal het gemiddelde
van  de hulp  aan de andere  landen waarop  Nederland zijn hulp
concentreerde.  Men werd over de streep getrokken met de in een
verdrag  neergelegde  belofte  dat  Nederland  de  half miljard
gulden  die Suriname nog aan schuld had staan zou kwijtschelden
en  daarnaast 3,3 miljard Nederlandse guldens zou schenken voor
de  mede-financiering van  ontwikkelingsprojecten. (Daarvan was
medio  1992  nog  1,6  miljard  over,  waarvan  0,3  miljard te
financieren  op  basis  van  strikte  pariteit  met  Surinaamse
besparingen).
  De Nederlandse verantwoordelijkheid voor Suriname verdween in
1975.       Slechts      de       verdragsverplichting      tot
ontwikkelingsfinanciering  bleef over.  In  die tijd bestond er
nog  veel vertrouwen in de mogelijkheid via overheidsbemoeienis
de  economie  te sturen.  Spoedig bleek  echter dat  er grenzen
waren  aan de opnamecapaciteit voor  zo'n hoog bedrag aan hulp.
Er   was   onvoldoende  Surinaams   kader  en   de  instituties
functioneerden  gebrekkig. Nederland bezweek voor de verleiding
een  hele schare  van deskundigen in  Suriname te parachuteren.
Deze   werden  in  het   algemeen  volgens  Nederlandse  normen
gesalarierd plus tropentoeslag  en verdienden een veelvoud van
hun  Surinaamse collega's. Bij  bouwvergaderingen kwam het voor
dat  zowel de  vertegenwoordiger van de  opdrachtgever, als die
van  de architect, die van de  aannemer en die van de financier
Nederlander   was.  "De   goedbedoelde  intensivering   van  de
Nederlandse     bemoeienis     heeft     echter     niet    tot
kwaliteitsverbetering  van  de  besluitvorming  geleid  en  het
Surinaamse  aandeel daarin  juist ontmoedigd",  concludeerde de
Suriname Commissie van de PvdA (2)
De  omvang  van  de  hulp  aan Suriname  is  zo  groot,  dat de
besluitvorming  erover veel verder gaat, dan de beoordeling van
de  directe  effecten  op  micro niveau,  namelijk  die  van de
ontwikkelingsprojecten.  Men moet  dan ook letten  op de macro-
economische gevolgen, zoals de inflatie, de openbare financin,
de  inkomensverdeling en de  betalingsbalans. In het Surinaamse
geval   legde  de  besluitvorming  over  de  besteding  van  de
ontwikkelingsgelden   in  feite  vrijwel  het  gehele  sociaal-
economische   beleid  vast.   Een  goede   besluitvorming  over
ontwikkelingsprojecten   vraagt  dan  een  goed  functionerende
democratie.  Dat is  geen kwestie  die door het sturen van vele
deskundigen  uit het voormalige moederland kan worden opgelost.
Het  PvdA-rapport pleitte daarom voor een terughoudende rol van
Nederland   en,  daarvoor   in  de   plaats,  participatie  van
Suriname's bevolking in het besluitvormingsproces.
   De  veranderende  houding in  politiek Nederland  heeft toen
echter  geen praktische gevolgen gehad.  Met de democratie ging
het  namelijk in Suriname verder bergafwaarts. De arrestatie en
vervolgens  executie  op 8/9  december 1982  van vooraanstaande
burgers  door de militaire  machthebbers maakten het onmogelijk
de  omvangrijke  hulpstroom  te continueren  via  de Surinaamse
overheid.  De hulpopschorting werd in  de daarop volgende jaren
echter door velen als een fetish gezien, een instrument dat per
definitie  bevorderlijk zou  zijn voor  herstel van democratie.
Voorstellen voor hervatting van de ontwikkelingssamenwerking op
bescheiden    schaal   via   mede-financiering   van   zinvolle
ontwikkelingsprojecten   vonden  geen   weerklank.  Het  gevolg
daarvan  is  onder  andere  dat  nu,  bijna  tien  jaar  na  de
opschorting  van  de hulp,  de  organisatorische infrastructuur
vrijwel  verdwenen  is, zodat  er  de komende  tijd  slechts in
beperkte   mate   geld   kan   worden   gestoken   in  zinvolle
ontwikkelingsprojecten.
  Het  gebrek aan besef van  het macro-economische karakter van
de  hulp aan Suriname te onderkennen  heeft ook een ander bizar
gevolg   gehad.   De  publieke   opinie   stond  het   wel  toe
'humanitaire'   hulp   te  verlenen,   zoals  het   zenden  van
medicijnen.  Micro-economisch is  dat gunstig,  want medicijnen
helpen  immers  de  zieken.  Macro-economisch  ligt  dat echter
anders.  Omdat  Nederland  de financiering  van  de  invoer van
medicijnen  en dergelijke  op zich  nam, spaarde  de Surinaamse
overheid  deviezen uit  die anders  aan deze priorieitsimporten
zouden  zijn uitgegeven.  Dat geld had  men   voor andere zaken
beschikbaar,  zoals  de  aankoop  van  speciale  wapens  om  de
guerrilla    te   bestrijden.   Vanuit   een   macro-economisch
perspectief  was  mede-financiering  van ontwikkelingsprojecten
beter geweest dan medicijnhulp.
  Deze  terugblik leidt  tot twee praktische  conclusies. In de
eerste  plaats is  het organisatorisch  niet mogelijk  op korte
termijn veel geld zinvol te besteden in ontwikkelingsprojecten.
Er  zijn  echter  wel  mogelijkheden  om  de  macro-economische
herstructurering met omvangrijke deviezensteun te versnellen en
op  sociaal  verantwoorde manier  uit te  voeren. In  de tweede
plaats  valt te hopen dat  de bezorgde bemoeienis van Nederland
inderdaad    plaats    zal   maken    voor   vriendschappelijke
terughoudendheid.  Nederland  heeft  geen  verantwoordelijkheid
meer    voor    Suriname,    behoudens    het    nakomen    van
verdragsverplichtingen.  De  democratische instituties  van het
land  dienen  zelf  tot weloverwogen  besluitvorming  op macro-
economisch gebied, waaronder het ontwikkelingsbeleid, te komen.
Zo'n   democratische  besluitvorming  kan  de  Surinamers  tijd
kosten.    Zo    bleek    de   samensmeding    van    de   vele
herstructureringsvoorstellen  tot  een  Surinaams  aanpassings-
programma  (het in november '92  gereeed gekomen SAP) twee jaar
te  duren.   Ze  kan  tot   andere  beslissingen leiden  dan de
Nederlandse  minister voor ontwikkelingssamenwerking zou nemen.
Het  zij zo. Maar  het is hn  land en hn  toekomst, zowel bij
foute als goede beslissingen.
  Een  terughoudende  rol van  Nederland bij  de besluitvorming
rond  de ontwikkelingsprojecten ligt verder  voor de hand omdat
het gaat om middelen die Suriname bij de onafhankelijkheid zijn
toegezegd.  Ook bij zo'n terughoudende rol in de besluitvorming
zou   er,   bij   omvangrijke   besteding   van   middelen   in
ontwikkelingsprojecten,  gemakkelijk  animositeit  tussen beide
landen kunnen ontstaan. De Nederlandse overheid opereert immers
namens  kiezers die  ontwikkelingshulp zien  als een financile
aanvulling    op    de   eigen    investeringsinspanningen   in
ontwikkelingslanden.  Dat  is een  wereld  van verschil  met de
overheid  in Suriname, die onder druk staat om kiezers op korte
termijn via consumptieve bestedingen voor zich te winnen.
  Die  potentile spanning  tussen beide  regeringen kan echter
binnen    de   perken   blijven   als   men   beseft   dat   de
ontwikkelingssamenwerking  met Suriname gezien  haar omvang van
macro-economische  betekenis  is  en  de  ontwikkelingsmiddelen
thans  op  grote  schaal  zouden  kunnen  worden  gebruikt voor
deviezensteun  ter  ondersteuning van  een aanpassingsprogramma
dat  in  enkele stappen  van devaluatie  en omlaag  brengen van
parallelmarktkoers  in ongeveer een jaar   moet leiden  tot een
uniforme wisselkoers en verdwijnen van het financieringstekort.

Diagnose van actuele problematiek

De   bron  van  de  actuele  economische  problematiek  is  het
financieringstekort.  Tot begin  jaren '80  kende Suriname twee
vaste  regels: de koers  van de Surinaamse  gulden ten opzichte
van  de dollar  was vast,  terwijl de  overheidsuitgaven gelijk
waren aan de overheidsinkomsten.
  Begin  jaren '80 was  er een daling  in de overheidsinkomsten
uit  bauxiet en  ontwikkelingsmiddelen. De  overheid bezuinigde
vervolgens op de ontwikkelingsuitgaven, maar de inkomstendaling
uit   de   bauxiet  leidde   niet  tot   belastingverhoging  of
uitgavenbeperking. Integendeel, de consumptieve uitgaven werden
zelfs  verhoogd.   Het  gat werd  gedicht  met leningen  bij de
Centrale    Bank.   Bijgaand   tabelletje   bewijst   dat   het
financieringstekort  in de jaren  1983 en 1984  leidde tot meer
geld  in  omloop  dan er  goederen  tegenover  stonden, hetgeen
zuigkracht op de invoer uitoefent. Men ziet in die jaren daarom
afname van deviezenvoorraad.


Monetaire gegevens Suriname (a)
--------------------------------------------------------------
Jaar                    83  84  85  86  87  88  89  90  91  92
   *mln Sf
Financieringstekort    320 290 365 446 504 495 370 230 630 650
Afname deviezen        169 102  14   8   0  16  -2 -17  80   0
Toename geldhoeveelheid 76 113 287 395 310 383 233 150 755 650

Parallelmarktkoers tov $ 1   1   4   6   8   9  13  15  16  22
---------
a)  exclusief effect obligatielening van Sf. 445 mln. exclusief
opbrengst tegenwaarde fondsen (opbrengst deviezenveilingen eind
'92.


  In  1984 was  de deviezenvoorraad op,  maar in  plaats van de
tering    naar   de   nering   te   zetten   startte   men   de
invoercontingentering.   Er  werden  per   kwartaal  niet  meer
invoervergunningen  uitgegeven dan de exportopbrengsten van dat
kwartaal    groot    waren.    De    door    het   voortdurende
financieringstekort  steeds verder  toenemende geldvoorraad kon
niet  meer  via invoer  afvloeien naar  het buitenland.  Als de
consumenten   steeds  meer   geld  in   handen  hebben   en  de
goederenhoeveelheid  wordt  kleiner, dan  stijgen  uiteraard de
prijzen,   waaronder  de  prijs  van  buitenlandse  valuta:  de
wisselkoers  op de vrije  parallelmarkt. In bijgaand tabelletje
ziet  men dan ook dat de  geldhoeveelheid sinds 1984 ieder jaar
toeneemt,  en  vervolgens  de  koers  op  de  parallelmarkt ten
opzichte  van  de officile  koers.  In november  1992  lag die
verhouding    al   een    op   veertien    tot   zestien.   Het
financieringstekort  is de oorzaak  van de dubbele wisselkoers;
die heeft op zijn beurt twee gevolgen.
  1  Door  op en  neer te  wandelen  tussen officile  markt en
parallelmarkt  kunnen sommigen enorme rijkdom vergaren. Anderen
daarentegen  komen in  steeds bitterder  armoe te  verkeren. De
spanning  tussen de twee  markten lokt onvermijdelijk corruptie
uit.
  2  Producenten voor  de export, zoals  rijstboeren, moeten de
harde  valuta die zij verdienen  geheel of gedeeltelijk afstaan
aan  de  overheid,  terwijl  ze  een  belangrijk  deel  van hun
grondstoffen  op  de dure  parallelmarkt moeten  kopen. Vroeger
winstgevende  produktie  is  daardoor  verliesgevend  geworden.
Daardoor   zijn  ondernemers  gedwongen  hun  produktie  in  te
krimpen.  Men ziet dan  ook dat de  rijstproduktie intussen nog
maar op de helft ligt van het vroegere niveau.


Middenkoers, koopkrachtpariteit


De   officile  goedereninvoer   bedraagt  ongeveer  zeshonderd
miljoen,   zowel  in  Surinaamse  als  in  Nederlandse  guldens
gemeten. Dus voor deze invoer ter waarde van zeshonderd miljoen
Nederlandse  guldens betaalt de  Surinaamse koper, afgezien van
handelswinst, ook zeshonderd miljoen Surinaamse guldens.
  De  invoer via de parallelmarkt bedraagt grofweg drie honderd
miljoen  Nederlandse  guldens.  Voor  deze  parallelmarktinvoer
betaalt  de Surinaamse consument  echter, bij een parallelkoers
van  zeg gemakshalve 1  : 15, vierduizendvijfhonderd Surinaamse
guldens.  De  totale  invoer  is  dus  negenhonderd Nederlandse
guldens    waard,   terwijl   de    Surinaamse   consument   er
eenenvijftighonderd Surinaamse guldens voor neertelt.
  Gemiddeld  genomen worden er dus vijf en een halve Surinaamse
gulden  neergeteld voor  invoer ter  waarde van  n Nederlanse
gulden.  Wanneer we het kapitaalverkeer even buiten beschouwing
laten,  geldt er  dus een  middenkoers van  n op  vijf  zes.
Anders  gezegd, als de  dubbele koersen van  1:1 en 1:10 zouden
worden vervangen door n koers van 1Nf: 5,7Sf, dan zouden alle
Surinamers tezamen voor de invoerprodukten evenveel betalen als
nu,  terwijl  het buitenland  evenveel Nederlandse  guldens (of
andere  harde  valuta)  zou  ontvangen  als  nu.(De middenkoers
becijfering        gaat       dus        uit       van       de
koopkrachtspariteitsbenadering).
  Bij  de samenstelling  van een  aanpassingsprogramma (ook wel
herstructureringspakket  genoemd)  is het  niet alleen  zaak om
zodanig  te devalueren en andere maatregelen te treffen, dat de
corrumperende  parallelmarkt  verdwijnt. Men  moet er  ook voor
zorgen  dat voor  de belangrijkste  produkten de opbrengstprijs
hoger  komt te  liggen dan  de kostprijs.  Verder zouden  er na
herstructurering  mogelijkheden  kunnen  ontstaan  voor  nieuwe
produkten,  die we niet in  onze berekeningen hebben meegenomen
(porseleinaarde, veeteelt, aquacultuur?).
  Het  blijkt mogelijk  om er voor  te zorgen  dat onder andere
bauxiet,  rijst, bacove en garnalen weer rendabel worden. Begin
1991  had dat nog  gekund via een  pakket maatregelen waaronder
een  devaluatie waarbij  de waarde  van de  buitenlandse valuta
vier  keer  zo  groot  wordt  (dus  met  300%  stijgt), vrijwel
overeenkomend met de toen geldende middenkoers.


achteruitgangsproces nog niet tot stilstand gekomen

Het probleem is echter, dat de overliquiditeit sinds begin 1991
zoveel   is  toegenomen,  dat  een   pakket  met  een  beperkte
devaluatie nu niet meer mogelijk is.
  Andere   redenen   daarvoor  zijn   de   verdere  economische
achteruitgang,  in  het  bijzonder  het  verlies  van  kader en
motivatie  bij het overheidsapparaat. Verder heeft een deel van
de  deviezeninkomsten voorgoed  zijn weg  naar de parallelmarkt
gevonden,  waarbij het  na herstructurering  niet goed mogelijk
lijkt    te   verhinderen   dat   het   wordt   gebruikt   voor
kapitaalvlucht. Verder zijn de lonen intussen weer enkele jaren
extra achtergebleven bij de prijzen, waardoor de bereidheid tot
matigen al ver is opgerekt.
  Intussen is de waarde van de Sf gedaald naar  1 Nf is 14  16
Sf.  Bij  een  vlaag  van onrust  onder  geldbezitters  kan die
plotseling   verder  vervliegen  met  alle  gevolgen  voor  het
prijsniveau  van  dien.  Verder  verleidt  het  steeds  grotere
verschil  tussen  officile  en parallelmarkt  steeds  meer tot
corruptie,   met  grote  gevaren  voor  het  vertrouwen  in  de
politiek.  De daling van de  wereldmarktprijs van aluinaarde in
de   afgelopen   jaren   versterkt   verder   de   noodzaak  de
wisselkoersen   gelijk   te   trekken,   om   deze   en  andere
exportindustrien voor Suriname te behouden.
Hoe  langer men wacht met aanpassen, hoe groter de kans dat die
niet of slechts met grote pijn gaat lukken.
  De effectieve hervatting van de ontwikkelingssamenwerking met
Nederland hapert: zelfs de overbruggingshulp die in Bonaire was
overeengekomen  voor de maand december 1991 was  medio 1992 nog
niet  geheel uitgegeven.  Er ligt momenteel  liefst een miljard
Nederlandse guldens klaar, wachtend op een zinvolle besteding.
  De Rekenkamer van Suriname wijst in haar verslag over 1991 op
de  deplorable toestand van de  financile administratie van de
Staat, die met de dag erger wordt door gebrek aan discipline en
door  een  groot  tekort  aan kwaliteit  en  kwantiteit  in het
personeelsbestand   van  de  financile  administratie  van  de
overheid,  en het openlijk negeren van wettelijke regelingen en
bevoordeling  van  personen ten  nadele  van de  staatskas. Het
verslag   van  de  Rekenkamer  maakt  nog  eens  duidelijk  dat
ingewikkelde  matregelen die uitgaan van een goed functionerend
overheidsapparaat  op  korte termijn  onhaalbaar zijn.  Door de
enorme  daling  van  de  rele salarissen  in  Suriname  is het
beloningsverschil  voor overeenkomstige functies in ontwikkelde
landen  zeer  sterk  vergroot.  Het  is  dan  zeer  moeilijk om
buitenlandse  deskundigen  tegen Surinaamse  salarissen  aan te
trekken. Bij honorering van buitenlandse experts op buitenlands
niveau  zijn er echter zolang de dubbele koers bestaat  dermate
grote  rele  inkomensverschillen,  dat  samenwerking  van  die
deskundigen  met  Surinaams  kader problematisch  is.  Op korte
termijn  mag daarom niet  worden verwacht dat  de oplossing van
het kadervraagstuk uit het buitenland zal komen. Dit pleit voor
een  eenvoudig  aanpassingsprogramma, dat  slechts  een beperkt
beroep doet op kader.
  We  voegen daaraan  toe dat  de ontwikkelingssamenwerking met
Nederland  wat betreft uitvoering van ontwikkelingsprojecten al
zo lang stilligt, dat mag worden verwacht, dat op korte termijn
slechts  een klein deel van  de beschikbare miljoenen langs die
weg  zinvol  kan  worden  besteed.  Bestedingsdwang  en  verder
geharrewar  tussen Nederland en Suriname  dreigen over de vraag
welke  maatregelen wel of niet  voor steun in aanmerking komen.
Gelukkig   is   in  het   Raamverdrag  afgesproken,   naast  de
financiering   van   projecten,   ook   omvangrijke  financile
ondersteuning  te geven aan het  pakket maatregelen dat in zijn
totaliteit zal leiden tot herstructurering.


inflatie

Doordat  de  overheid meer  geld uitgeeft  dan ze  ontvangt, en
tevens de deviezenvoorraad is uitgeput, neemt de hoeveelheid Sf
toe.  De vraag naar goederen is  daardoor groter dan het aanbod
en dat leidt tot prijsstijging. In feite komt het bedrag dat de
overheid  in een jaar  monetair financiert na  enige tijd in de
prijzen  terecht. Suriname  kent daardoor  al jaren  een flinke
inflatie  ondanks de matiging van de  lonen.   Deze inflatie is
het  gevolg van het  financieringstekort van de  overheid.  Het
tempo  waarin  dat  gebeurt  was  vroeger,  toen  er  nog  meer
geldillusie was, trager dan nu. Momenteel schommelt de inflatie
tussen  de  2 en  6  % per  maand.  Zie bijgaande  grafiek. Die
inflatie  wordt voornamelijk  veroorzaakt door  de voortdurende
stijging  van de parallelmarktkoers. Vroeger betaalde men 1,785
Sf  voor 1 $. Begin 1991  was dat 15 Sf voor  1 $, en dat is in
1991 en 1992 steeds verder opgelopen tot circa 27 Sf voor 1 $.
Als   de   overheid   niet  monetair   zou   financieren,  maar
bijvoorbeeld  het  tekort  zou dichten  door  verhoging  van de
invoerrechten,  stijgen de prijzen ook,  en wel heel snel. Even
snel doorbijten is echter beter voor de economie, dan monetaire
financiering   met   zijn   economische   en   maatschappelijke
verloedering.  Bovendien leidt monetaire  financiering na enige
tijd toch tot inflatie.
Maatschappelijk  ideaal is uiteraard  een situatie, waarbij men
overstapt van monetaire financiering op financiering via hogere
invoerrechten,  terwijl men  tegelijkertijd forse deviezensteun
inzet, waardoor de parallelkoers en daarmee de actuele inflatie
wordt beheerst.


tweesnijdend zwaard

Devaluatie  is al eerder  door drs. S.  Mungra (toespraak 16-4-
'91)  een 'tweesnijdend  zwaard' genoemd.  Men kan  er namelijk
twee  doelstellingen tegelijk mee realiseren. Bij devaluatie in
enkele stappen nemen de inkomsten van de exporteurs stapsgewijs
toe   (in   combinatie   met  bauxietaccoord   zonder   dat  de
bauxietmaatschappijen  overwinsten  exporteren),  verder stijgt
het  prijspeil op de officile  markt geleidelijk. Aangezien de
invoerrechten  gekoppeld zijn  aan de  officile invoerprijzen,
nemen  die ook stapsgewijs toe. Als een stapsgewijze devaluatie
wordt  gekoppeld aan  injecties met  deviezensteun, waardoor de
parallelmarktprijzen   worden   beheerst,   blijft   de  totale
prijsstijging   binnen   de  perken.   Met   beperkte  algemene
loonrondes  kan  dan  koopkrachtbehoud voor  werknemers  en AOV
ontvangers worden gerealiseerd.


een nieuw instrument: deviezensteun,
bezien in macro economisch perspectief

De  in het kader van het  Raamverdrag op 18 juni overeengekomen
deviezensteun  ad Nf 40 miljoen  voor de overgangsperiode tot 1
november 1992 heeft een tweeledig doel:
1.  bevorderen productieve- en export sector door deze middelen
via een veilingssysteem of anderszins beschikbaar te stellen
2.   afromen   van  overliquiditeit   via  bevriezing   van  de
tegenwaarde fondsen.
Bij   de   interpretatie  is   verder   van  belang   dat  deze
deviezensteun    wordt    verleend    vooruitlopend    op   het
aanpassingsprogramma, dat moet leiden tot a) een uniforme koers
b) verdwijnen van het financieringstekort en c) deregulering.

Verder   lijkt  het  ons  van   belang  de  vormgeving  van  de
deviezensteun  te zien  in de  contekst van  de geleidelijk aan
zowel  in  Suriname  als  Nederland  veranderende  kijk  op  de
ontwikkelingssamenwerking  van  micro  naar  macro: projecthulp
minder   accent  en  macro-economische  ondersteuning  van  een
aanpassingsprogramma  wordt  belangrijker. Stilerend  zullen we
spreken van de projectvisie en de macrovisie

Bij  het eerste genoemde doel  van de deviezensteun, bevorderen
productieve  sector,  zou  men vroeger  hebben  gedacht  aan de
financiering   van  ontwikkelingsinvesteringen   of  het  tegen
gesubsidierde  prijzen ter beschikking stellen van inputs voor
de   productieve  sector.  Bij  deviezensteun  is  men  in  die
projectvisie  geneigd om slechts steun  te geven voor het tegen
lagere  dan  parallelmarktprijzen ter  beschikking  stellen van
inputs  voor  productieve  bedrijven  in  het  bijzonder  in de
exportsector.  In  die visie  dient  er te  worden  gewerkt met
positieve  of  negatieve  lijsten.  De  ervaring  bij  o.a.  de
invulling  van de  overbruggingshulp heeft  geleerd, dat zoiets
moeilijk  via objectieve criteria lukt,  met alle geharrewar en
vertraging    vandien.    In    deze    projectvisie    is   er
tegenstrijdigheid     met    het    tweede    doel,    afromimg
overliquiditeit. Immers, hoe lager de prijs voor de inputs voor
de  productieve  sector,  hoe minder  overliquiditeit  er wordt
afgeroomd.

In  de  macrovisie  wordt de  deviezensteun  niet  direct, maar
indirect  gebruikt voor bevordering  van de productieve sector.
Op   de  parallelmarkt  is   alles  te  koop,   zij  het  tegen
parallelmarktprijzen.  De  deviezensteun zou  in  de macrovisie
moeten  worden  aangewend om  het aanpassingsprogramma  zo snel
mogelijk  te  laten  slagen.  Dat  is  de  beste  manier  om de
productieve  sector  te  bevorderen. In  de  macrovisie  zou de
deviezensteun   tegen   een   zo   hoog   mogelijke,   dus   de
parallelmarktprijs  moeten  worden  verkocht.  Daarbij  past zo
weinig  mogelijk beperking tot  bepaalde goederen voor bepaalde
bedrijvigheid.  De enige beperking die  men in de macrovisie op
zou  kunnen  leggen  aan  de  deviezensteun  is  beperking  tot
financiering  van  importgoederen (ongeacht  welke), om  op die
manier  kapitaalvlucht te helpen voorkomen. Omdat inmiddels ter
waarde    van   liefst   Nf    300   miljoen   aan   Surinaamse
deviezeninkomsten  jaarlijks via  de parallelmarkt  loopt, valt
het  overigens te  betwijfelen of  kapitaalvlucht wezenlijk kan
worden voorkomen.
   In  de macrovisie denkt men dus  aan  een zo groot mogelijke
positieve  lijst, dan  wel zo klein  mogelijke negatieve lijst.
Verder  hoopt men de deviezensteun  tegen een zo hoog mogelijke
koers  te  verkopen, want  dat  levert de  meeste  afroming van
overliquiditeit  op.  Tegelijkertijd  zal men  echter  hopen de
parallelmarktkoers   geleidelijk  omlaag  te  brengen  door  de
deviezensteun.  Dat laatste  zal echter  slechts lukken  als er
behalve  het nieuwe instrument van  de deviezensteun ook enkele
andere  maatregelen worden getroffen, gericht op het dempen van
de   bron  van  de  stijging  van  de  parallelmarktkoers:  het
financieringstekort  van de overheid. Voor  de korte termijn is
daar  eigenlijk maar n effectief instrument voor beschikbaar:
verhoging  van de invoerrechten, hetzij  door die te baseren op
de echte, dus de parallelmarktprijs, hetzij door de tarieven te
verhogen.   Verhoging  van  invoerrechten  heeft,  juist  zoals
monetaire  financiering  van  het  tekort,  een prijsopdrijvend
effect,  maar  bij verhoging  van  invoerrechten merkt  men het
sneller.   Door  nu  de  verhoging   van  de  invoerrechten  te
combineren  met het  inzetten van  betalingsbalanssteun (die de
parallelmarktkoers  en daarmee de prijzen afremt), kan stijging
van  het algemene prijspeil, en daarmee van koopkracht en lonen
worden beheerst.

Onder  de  huidige  omstandigheden  verdient  de  macrovisie de
voorkeur.  Het   nieuwe instrument  van de  deviezensteun is in
october  1992  van  start gegaan  in  de vorm  van  veiling van
deviezen. De koers van de eerste veiling was 18 Sf voor 1 $, de
tweede  veiling 20 Sf voor 1 $ en de derde veiling, 14 november
had  een  koers van  16 tot  23 Sf  voor 1  dollar, varierend,
vanwege  toewijzing op basis inschrijvingskoers, gemiddeld ruim
20 Sf voor 1 $.
De parallelmarktkoers lag in die tijd rond 27 Sf voor 1 $.

Suriname  beschikt nu  over ervaring met  het nieuwe instrument
van  deviezensteun. Mits op macro  manier aangewend kan dit een
belangrijk   instrument  worden   om  het  aanpassingsprogramma
versneld en beter beheersbaar uit te voeren.
De  voorstellen van C&L/W, waarbij er ook na 1992 voor een deel
van  de  transacties  de oude  1,8SF=1$  zou  gelden, verdienen
namelijk  aanscherping. Reeds in de  loop van het volgende jaar
zou  de situatie van  een uniforme koers  een feit kunnen zijn,
namelijk  gesteund door omvangrijke deviezensteun. Die uniforme
koers   moet   dan   k   gelden   voor   ambassadeverkeer  en
schuldaflossing.  Iedere onduidelijkheid op dit punt zal leiden
tot   oeverloze  discussies  met   belanghebbenden.  Naast  het
politiek moeilijke n voor n verschuiven van goederen van de
parallelmarkt  naar de  officiele markt in  combinatie met het
verruimen  van de retentieregelingen, zou  men ook de officile
koers    in   enkele   stappen   in   de   richting   van   het
parallelmarktniveau  kunnen  brengen. Dan  is  de prijsstijging
meer  gespreid en profiteren de exporteurs allen tesamen, zodat
niet  per product retentiediscussies  hoeven te worden gevoerd.
De  onvermijdelijke stijging van de  prijzen van goederen op de
officile  markt kan gepaard gaan met daling van de prijzen van
goederen  op  de  parallelmarkt  o.a.  door  het  inzetten  van
omvangrijker deviezensteun.


herstructureringsvoorstellen

  De  afgelopen periode  is er  veel discussiestof aangedragen.
Naast  de  rapporten  en  beleidsnota's  van  bedrijfsleven  en
werknemersorganisaties  hebben  vele hun  visie op  de gewenste
herstructurering  gegeven.   Steeds dringender wordt daarbij de
wens   thans woorden door daden te laten volgen. De analyse van
zowel   IMF  als  de  door   de  EG  ter  beschikking  gestelde
consultants  Coopers&Lybrand/Warwick  Research (C&L/W)  als die
van  de  Stichting  Planbureau  Suriname  (SPS)  leiden  tot de
conclusie dat er zo snel mogelijk een uniforme wisselkoers moet
komen,    in   combinatie   met    het   verdwijnen   van   het
financieringstekort  en  beperking van  de overheidsbemoeienis.
C&L/W  en  de SPS  hebben hun  analyses vergezeld  van concrete
voorstellen. (3) We bespreken die in het kort.

  C&L/W  beveelt een  pakket maatregelen  aan bestaande  uit de
introductie  van een zwevende koers, die op een niveau van rond
de  11 Sf=1Nf zou  kunnen worden gestabiliseerd  via een pakket
maaatregelen.   Dat   bestaat  in   hoofdlijn   uit:  verhoging
invoerrechten;  exporteurs mogen een steeds groter deel van hun
deviezenopbrengsten  via de zwevende koers omwisselen in plaats
van  tegen de officile koers van circa  1 Sf= 1 Nf; een steeds
geringer  deel van de  goederen wordt tegen  de officile koers
ingevoerd;  vermindering van de  overheidsbemoeienis. Hoewel de
voorstellen  van C&L/W begin  1992 zijn geactualiseerd, dateren
zij  in  feite uit  1990.  In die  tijd  was devaluatie  van de
officile koers nog een taboe.
Dat  probleem is in  het voorstel van   C&L/W ingenieus omzeild
door  via overheveling van exportopbrengsten en importen van de
officile  naar de parallelmarkt   te geraken  in een situatie,
waarbij  het grootste deel  van het verkeer  met het buitenland
wordt afgerekend tegen de zwevende parallelmarkt koers, terwijl
de  officile koers niet wordt aangepast, maar slechts voor een
beperkt aantal transacties blijft bestaan.

  De  nota  van  de  SPS  'Raamwerk  voor  de  gezondmaking van
Suriname's   economie  1992-1996'  schetst   eerst  drie  basis
scenario's   bij  hoge,   middelbare  en   lage  internationale
prijsniveaus    voor   aluinaarde,   Suriname's   belangrijkste
exportproduct.  In die  basisscenario's blijft herstructurering
achterwege.      Vervolgens      worden      drie     mogelijke
herstructureringsscenario's  gepresenteerd. Deze  bestaan ieder
uit  een pakket maatregelen, waaronder verhoging invoerrechten,
een devaluatie van de officile koers, aanwending deviezensteun
voor   beheersing   overliquiditeit   en   aanvullende  sociale
maatregelen  zoals verhoging van  de ouderdomspensioenen (4) en
loonsverhoging.  Met behulp  van een verbeterde  versie van het
Suriname  model  Macmic  heeft  de  SPS  de  effecten  van  die
pakketten  doorgerekend. Het blijkt dat het financieringstekort
en  de parallelmarkt verdwijnen,  de exportsector weer rendabel
wordt,  terwijl de koopkracht van werknemers die geen inkomsten
uit de parallelmarkt hebben niet achteruit gaat.

  Bij  zowel de  voorstellen van C&l/W  als die  van SPS kunnen
kanttekeningen  worden gemaakt. Het  voorstel van C&L/W omzeilt
het  taboe rond  devaluatie door  de officile  koers (voor een
beperkt  aantal  producten) te  laten  bestaan en  product voor
product  goederen  van de  officile  naar de  parallelmarkt te
verwijzen.  Dat  een voor een verschuiven heeft wel het nadeel,
dat  er  iedere keer  opnieuw regeringsbesluiten  moeten worden
genomen.  Dat blijkt lastig in een land waar besluitvorming een
moeilijk   proces  is  voor  de  regerende  uit  vele  partijen
bestaande  combinatie. Dat  klemt temeer,  als het  gaat om een
reeks  van  besluiten  waarbij de  korte  termijn  belangen van
steeds  wisselende  groepen  worden geschaad.  Verder  lokt het
voortbestaan van de officile koers druk uit op de overheid van
belangengroepen  om voor  hun interessante  producten tegen die
koers te mogen importeren.
  De  SPS  is  niet  gekomen  met  n  kant  en  klaar, verder
onveranderlijk  voorstel, waar men slechts ja of neen tegen kan
zeggen,   maar  met   een  'raamwerk'.   Dat  'raamwerk'  bevat
verschillende  voorstellen,  maar nog  belangrijker is  dat het
Surinaamse  Planbureau  met  die nota  heeft  gedemonstreerd in
staat  te zijn  zelfstandig herstructureringspakketten  door te
rekenen,   en   kan  inhaken   op  nieuwe   ontwikkelingen.  De
voorstellen  van de SPS  hebben het voordeel  dat ze leiden tot
een  uniforme koers op korte termijn. Deze voorstellen zijn van
recenter  datum en spelen in op het feit, dat devaluatie van de
officile koers intussen bespreekbaar is geworden. Een probleem
bij  de  SPS voorstellen  is echter,  dat  ze uitgaan  van vrij
beperkte  devaluatie,  zodat ze  erg veel  deviezensteun kunnen
vergen om de nieuwe koers te handhaven.


combinatie

Het ingenieuze voorstel van C&L/W had in 1990 de verdienste van
een verregaande herstructurering zonder het taboe op devaluatie
te doorbreken. Intussen is echter zowel de maatschappelijke als
de  economische ontwikkeling verder  gegaan. Maatschappelijk is
stapsgewijze  devaluatie  van de  officile  koers bespreekbaar
geworden. Verder noopt de verdere economische achteruitgang tot
versnelde   herstructurering  en  dank  zij  het  intussen  met
Nederland  gesloten  raamverdrag  is  een  verschuiving  van de
ontwikkelingssamenwerking   van  micro   naar  macro  mogelijk.
Daarbij   denken   we   in  het   bijzonder   aan  substantile
deviezensteun.

  In  het  SAP  heeft  de  Surinaamse  regering  (november '92)
gekozen  voor een praktische oplossing,  een combinatie van het
voorstel van C&L/W en Raamwerk van SPS, naar het ons voor komt.
Men  wil nu  de officile  koers in  twee stappen  verhogen, in
combinatie    met   omvangrijke   deviezensteun   waardoor   de
parallelmarktkoers kan zakken. De twee koersen komen dan steeds
dichter bij elkaar, waarna een uniforme koers het eindresultaat
is.  Door  de stapsgewijze  devaluatie  van de  officile koers
neemt  automatisch de invoerrechtenopbrengst  toe, waardoor het
financieringstekort  kan verdwijnen. In  combinatie met sociale
maatregelen  zoals verhoging AOV en loonsverhoging wordt verder
koopkrachtverlies  voorkomen  voor  werknemers,  exclusief voor
zover zij inkomsten uit de parallelmarkt hebben. Verder zou men
uit  verdragsmiddelen de studietoelagen kunnen financieren voor
studenten  in  Nederland, die  nu  worden onderhouden  door hun
ouders  in Suriname, die nu tegen officile koers, dus in feite
voor 90% gesubsidieerd, een toelage geven. Dank zij het SAP kan
in  circa een jaar  een situatie van  een uniforme koers worden
bereikt,  die daarna  een stabiel  niveau kan  behouden als het
financieringstekort inderdaad niet meer terug komt.

Binnen  de overgangsperiode van uiterlijk anderhalf jaar zal de
officile  koers in twee   stappen worden gedevalueerd, terwijl
tegelijk   de  zwevende  parallelmarktkoers   door  middel  van
substantile  deviezensteun geleidelijk  omlaag wordt gebracht.
Parallelmarktkoers en officile koers zullen dan steeds dichter
bij  elkaar komen. Dat leidt tot de realisatie van een uniforme
(zoals  de SPS voorstelt) koers binnen een overgangsperiode van
een   anderhalf jaar, in ieder  geval vr medio 1994. Daarbij
zou  de  hoogte van  de koers  veel dichter  bij de  door C&L/W
voorgestelde  koers van rond 1 Nf=  11 Sf kunnen liggen, dan de
door  de SPS voorgestelde 1  Nf = 6 Sf.  De hoogte van de koers
waar  men  op mikt  vraagt  politieke besluitvorming.  Er dient
namelijk  een  keuze  te  worden  gemaakt  tussen  een beperkte
devaluatie,  hetgeen  veel  deviezensteun zal  vergen,  maar de
inflatie  binnen de perken houdt,  dan wel een hoge devaluatie,
waarbij  de inflatie hoger is,  maar minder deviezensteun nodig
is,  zodat een groter deel  van de verdragsmiddelen over blijft
voor ontwikkelingsinvesteringen.

uniforme koers

Wanneer  officile  en  parallelmarktkoers  eenmaal  aan elkaar
gelijk  zijn, is het moment  van de uniforme koers aangebroken.
Deze  kan  eventueel  aanvankelijk nog  zwevend  zijn,  en door
deviezeninterventies  gestabiliseerd,  of  meteen  al  vast. De
discussie  over  vaste dan  wel zwevende  koers  is soms  al te
rigide.   Een  zwevende  koers  kan  men  immers  trachten  via
deviezeninterventies  te  stabiliseren.  Een  vaste  koers  kan
alleen  worden gehandhaafd als men over voldoende deviezensteun
beschikt en het financieringstekort laat verdwijnen.

  Simulaties  met het Suriname-model Macmic  (5) laten zien dat
een  SAP, zelfs een minipakket,  inderdaad op korte termijn zou
kan leiden tot de realisatie van een uniforme koers, verdwijnen
van     het     financieringstekort     op     transactiebasis,
koopkrachtstabilisatie   voor  werknemers  zonder  inkomen  uit
parallelmarkt   via  loonstijging  gelijk   aan  de  gemiddelde
prijsstijging,   en  herstel  van  de  winstgevendheid  van  de
exportsector.  Een voorwaarde voor realisatie is wel, dat circa
Nf 100 miljoen of meer beschikbaar is voor deviezensteun en wel
in  de vorm waarbij tegen de parallelmarktkoers overliquiditeit
wordt opgekocht. Een SAP met een beperkt pakket van maatregelen
op    monetair-financiel   gebied   kan   op   korte   termijn
daadwerkelijk  worden  uitgevoerd,  want er  is  geen bijzonder
nieuw  kader voor  nodig. Het vergt  slechts intensievere inzet
van  een nieuw instrument, de  deviezensteun, in combinatie met
het prijsgeven van de oude waarde van de officile koers.

  De  SPS beschikt, blijkens de tot standkoming van de genoemde
nota  met  scenario's,  tegenwoordig over  de  expertise  om de
concretisering van het structureel aanpassingsprogramma door te
rekenen.   Dankzij  modelanalyses   kunnen  ingewikkelde  macro
economische  problemen tot eenvoudige  hoofdlijnen worden terug
gebracht  en  vervolgens op  onderdelen worden  bekeken. Daarna
kunnen zo eenvoudig mogelijke oplossingen worden gepresenteerd.
Een  model is er immers niet  om eenvoudige zaken complex, maar
om  ingewikkelde  zaken  eenvoudig  te maken.  De  SPS  kan het
aanpassingsprogramma kwantitatief monitoren op macro economisch
niveau.  In  combinatie  met  omvangrijke  verdragsmiddelen kan
snelle  flexibele  uitvoering van de  al vele jaren steeds weer
uitgestelde   herstructurering   plaats  vinden.   Door  macro-
economische  monitoring (het bijhouden van recente kerngegevens
van de economie en analyseren in onderling verband), kan men de
vinger   aan   de  pols   van   de  economie   houden   en  het
aanpassingsprogramma op tempo houden.


-----------------
Noten bij: 'Van micro naar macro':


1)  Zie  ook  Ad  Melkert:"Terughoudend  tegen  Suriname",  Het
Parool, 27-6-1992.
2)   "Suriname en Nederland, hoe verder?" PvdA, Amsterdam 1982.
Van andere politieke partijen beschikken we niet over zo'n nota
over het Suriname beleid.
3)   Stichting   Planbureau   Suriname:   'Raamwerk   voor   de
gezondmaking  van  de Surinaamde  Economie  1992-1996' augustus
1992
  Coopers   &   Lybrand/Warwick   Research:'A   programme   for
adjustment  and  structural  adaptation  in  Suriname'  concept
december 1990 en aangepast eindrapport van mei 1992
  IMF:'Suriname, recent economic Developments, Staff Report for
the 1992 Interim article IV Consultation' juni 1992
  Ministerie  van  Planning  en  Ontwikkelingssamenwerking:"Een
programma  voor herstel, groei en  aanpassing van de Surinaamse
economie, Structureel aanpassings Programma (SAP)', Paramaribo,
november 1992.
4)  Deze maatregelen zouden nog  kunnen worden aangevuld met de
regeling, dat de studietoelagen die Surinaamse ouders momenteel
tegen  de  officile  koers  aan  hun  in  Nederland studerende
kinderen  geven  de komende  jaren uit  verdragsmiddelen zullen
worden betaald.
5)  Zie M. van  Schaaijk:"Draaiboek Suriname Model  deel 4 (blz
110  e.v.) en 5, Paramaribo/Scheveningen, april/juli'92" en het
hoofdstuk 'zeven wisselkoersscenario's'.
                     Bauxietaccoord & SAP

(gepubliceerd in het eerste nummer van Surned magazine)


De   Surinaamse   Regering   heeft,  met   instemming   van  de
volksvertegenwoordiging,    een   accoord   gesloten   met   de
bauxietmaatschappijen:  voor hen  zal voortaan  een wisselkoers
gelden  van 8 Sf voor 1 $, in plaats van de huidige 1,8 Sf voor
1  $. De bauxietmaatschappijen zullen  daartegenover 217 mln. $
investeren gedurende de komende vijf jaar.
De  betekenis van dit bauxietaccoord  reikt nog verder, want in
het    Surinaamse   Structurele    AanpassingsProgramma   (SAP)
staat:'vanaf  dat moment zullen geen transacties tegen de koers
van  Sf 1,8 plaats vinden, maar tegen de nieuwe vaste koers die
voortvloeit uit de bauxietovereenkomst of tegen de gereguleerde
wisselkoerskoers'.  Dat betekent gewoon een devaluatie, waarbij
voorlopig  nog naast de nieuwe koers van 8 Sf (in plaats van Sf
1,8)  voor 1  $, de  parallelmarktkoers (nu  30 Sf  voor 1$) en
gereguleerde  of  veilingkoers  (circa 20  Sf  voor  1$) blijft
bestaan.  Het  SAP voorziet  erin,  dat door  verhoging  van de
opbrengst  invoerrechten (die stijgen bij zo'n grote devaluatie
automatisch)  de monetaire  financiering verdwijnt.  Dat zal in
combinatie  met Nederlandse deviezensteun de parallelmarktkoers
omlaag brengen.
Vervolgens  moet  er  in de  loop  van '93  nog  een devaluatie
volgen, waarbij de nieuwe vaste koers wordt gebracht op het dan
geldende parallelmarktkoersniveau, waarna er nog maar n koers
zal   bestaan.  Hoeveel   die  nieuwe  koers   zal  worden  zal
proefondervindelijk blijken. Op het Seminar van 10 december '92
van  de Surinaams-Nederlands Kamer heb  ik enkele scenario's op
basis  van computerberekeningen gepresenteerd (zie brochure '15
jaar  monitoring'  in documentatiemap),  waaronder een  met een
devaluatie  naar Sf 8 voor 1 $ begin '93. In dat scenario volgt
bij   daadkrachtige  uitvoering  van  het  SAP  medio  '93  een
devaluatie  naar Sf 16  voor 1 $.  Het kan echter  zijn dat het
meer  moet worden, namelijk als  men telang wacht, de verhoging
van   de   invoerrechten  niet   doorzet,  of   de  Nederlandse
deviezensteun niet tijdig of in voldoende mate komt.
Bij  daadkrachtige  uitvoering  van  het  SAP  kunnen  zowel de
stijging  van prijzen als lonen  beperkt blijven tot circa 60%.
De  koopkracht en werkgelehenheid van de werknemers zullen niet
verder  dalen. De exportbedrijven  zullen weer rendabel worden.
Wie  betaalt de rekening? We weten dat er ter waarde van Nf 300
mln.  op  de  parallelmarkt  omgaat.  Door  de  daling  van  de
parallelmarktkoers  en de stijging van het gemiddelde prijspeil
komt  de koopkracht daarvan  op een derde  deel van het huidige
niveau.
Na  de monetaire  sanering kan men  de energie  die nu verloren
gaat aan monetaire discussies en in de rij staan gaan steken in
economisch  werk. Het achteruitgangsproces zal worden afgeremd,
tot  stilstand worden gebracht, en na een aantal jaren komt dan
weer de mogelijkheid van groei in beeld.
Hopelijk  volgen de volgende stappen in  het SAP snel. Forse en
snelle  devaluatiestappen naar n koers zijn daarbij hoeksteen
en ijkpunt.

dr. M. van Schaaijk, voorzitter Stuseco, januari 1993
